Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
16/389 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA uitkering terecht beëindigd. Uit het rapport van de door de Raad geraadpleegde deskundige noch uit enig ander medisch rapport blijkt dat de door de deskundige genoemde beperkte vaardigheden en cognities van appellante voortvloeien uit ziekte of gebrek. Deze kunnen daarom niet leiden tot het aannemen van extra beperkingen. Geen aanleiding voor de conclusie dat de beperkingen van appellante ten tijde in geding door de verzekeringsartsen zijn onderschat. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 389 WIA

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

15 december 2015, 15/2928 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [X] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door [X] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De Raad heeft dr. B. Sorgdrager, bedrijfsarts, als deskundige benoemd.

De deskundige heeft op 14 november 2018, in samenwerking met prof. dr. M.F. Reneman, fysiotherapeut en bewegingswetenschapper en drs. M.G.A. Hoppenbrouwers, GZ-psycholoog, een rapport uitgebracht. Hierop hebben partijen zienswijzen ingediend.

De deskundige heeft bij brief van 16 januari 2019 een reactie gegeven op de zienswijzen van partijen. Hierop hebben partijen gereageerd.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Voor appellante is [X] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster voor ongeveer 34 uur per week. Op 6 oktober 2008 heeft zij zich ziek gemeld met nekklachten. Bij besluit van 16 september 2010 heeft het Uwv geweigerd om appellante per 4 oktober 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante heeft in maart 2011 gemeld dat haar gezondheid verslechterd was en bij besluit van 9 mei 2011 is aan haar per 7 maart 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.

1.2.

Na een herbeoordeling is bij besluit van 11 januari 2012 gesteld dat de mate van arbeidsgeschiktheid van appellante ongewijzigd 100% is.

1.3.

In het kader van een volgende herbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 december 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante haar maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 16 december 2014 de loongerelateerde WGA‑uitkering van appellante met ingang van 17 februari 2015 beëindigd, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 april 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten, te weten de spierknopen en pijn aan rug, schouders, nek en armen en de hoofdpijn, zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Dat geldt ook voor de eigen bevindingen van de verzekeringsartsen uit psychisch en lichamelijk onderzoek en voor de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij uitgebreid hebben stilgestaan bij de pijnklachten van appellante en bij haar beperkingen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de onderzoeken van de verzekeringsartsen te summier of onvolledig te achten, nu zij appellante uitgebreid hebben gesproken en beiden een lichamelijk onderzoek hebben verricht en de zeer uitgebreide informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken hebben. De rechtbank heeft geen aanleiding gehad om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. De rechtbank is van oordeel dat de medische belastbaarheid van appellante op de datum in geding in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Het beroep van appellante heeft geen aanleiding gegeven om aan de juistheid van de conclusies van het Uwv ten aanzien van de medische belastbaarheid op de datum in geding te twijfelen. Door de verzekeringsartsen is voldoende gemotiveerd dat de hevige pijnklachten van appellante niet te verklaren zijn uit de medisch objectiveerbare aandoeningen. Ook de geclaimde sterk wisselende mogelijkheden op de datum in geding zijn niet goed verklaarbaar gelet op de milde bevindingen bij het lichamelijk onderzoek en gezien de eerder, met onder andere röntgen- en MRI-onderzoek geconstateerde restafwijkingen van de cervicale wervelkolom. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Appellante moet op de datum in geding in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 2 december 2014. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar beperkingen en haar sterk wisselende belastbaarheid onvoldoende zijn verwoord in de FML van 2 december 2014. Zij heeft gesteld dat de geselecteerde functies niet passend zijn omdat haar beperkingen niet volledig in aanmerking zijn genomen. Voor ondersteuning van haar standpunt heeft appellante gewezen op de reeds aanwezige informatie van de behandelend sector en een brief van 2 september 2016 van dr. G.J. Amelink, neurochirurg. Tevens heeft zij gewezen op brieven van de behandelend sector uit de periode 2010 tot 2015.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 september 2016, 10 december 2018 en 6 maart 2019 bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

De Raad heeft aanleiding gezien om zich te laten adviseren en heeft de onder Procesverloop genoemde deskundige Sorgdrager ingeschakeld.

4.2.

De deskundige stelt bij de conclusie over de functionele mogelijkheden in zijn rapport van 14 november 2018 allereerst dat geen goed beeld is verkregen van de fysieke belastbaarheid vanwege het pijncontingent functioneren. De aangetroffen situatie geeft wellicht een slechter beeld weer dan in december 2014. Bij de in de FML van december 2014 vooral als belemmerend aangegeven dynamische handelingen heeft de ervaren pijn een sterk aandeel. Bij de beoordeling van de beperkingen vermeldt de deskundige dat appellante op de datum in geding, 17 februari 2015, chronische pijn had en onvoldoende vaardigheden om stoornissen in de gezondheidstoestand adequaat te hanteren. Hij kan de beperkingen in de dynamische handelingen zoals opgesteld in de FML van 2 december 2014 begrijpen. Ervan uitgaand dat de huidige situatie die van december 2014 representeert, kan hij deze door hem vastgestelde pijncontingent functioneren echter niet nader objectiveren dan wel bevestigen. De deskundige acht in verband met de cognities ten aanzien van pijn en beweging van appellante en haar passieve coping meer beperkingen aanwezig. Tevens heeft de deskundige in zijn rapport vermeld dat appellante in verband met de ervaren pijn en de gebruikte pijnmedicatie slechts twee tot vier uur per dag kan werken.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 10 december 2018 in reactie op het rapport van de deskundige gewezen op de geconstateerde verschillen in onderzoeksbevindingen bij de onderzoeken door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep in 2014/2015 enerzijds – die geen beeld gaven van sterke functionele beperkingen van de cervicale wervelkolom – en de bevindingen van de multidisciplinaire expertise van de deskundige in 2018 anderzijds. Hij heeft gesteld dat de bevindingen uit het onderzoek door de deskundige in 2018 geen aanleiding geeft om de beperkingen per 17 februari 2015 aan te scherpen.

4.4.

De deskundige heeft op 16 januari 2019 desgevraagd het gestelde in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep besproken en herhaald dat appellante beperkte vaardigheden heeft op het gebied van haar cognities ten aanzien van pijn en bewegen en een passieve copingstijl en dat deze persoonlijke factoren van betekenis zijn voor het verrichten van activiteiten. De deskundige beschouwt dit als een gebrek in de zin van het Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC).

4.5.

In reactie op deze brief van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 maart 2019 herhaald dat de door de deskundige in 2018 waargenomen problemen bij appellante geen beeld geven van de datum in geding. Verder heeft hij erop gewezen dat bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ziekte of gebrek bepalend zijn voor de beperkingen en niet de cognities over het ziek zijn. Eerdere rapporten van behandelaars vermelden overigens niet dat bij appellante sprake zou zijn van cognities over pijn en bewegen die haar functioneren bepalen.

4.6.

Appellante heeft zich achter de bevindingen en conclusies van de deskundige geschaard.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA‑uitkering van appellante per 17 februari 2015 heeft beëindigd. Het geschil spitst zich toe op de beoordeling van de medische beperkingen van appellante.

5.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. Echter uit het rapport komt onvoldoende tot uiting, ook na de op verzoek verstrekte nadere toelichting, hoe de bevindingen ten tijde van het onderzoek door het multidisciplinaire team van de deskundige in 2018 zich verhouden tot de onderzoeksbevindingen als neergelegd in het rapport van R. Peters, arts, van 1 december 2014 en in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 april 2015, waarop de FML is gebaseerd. Wat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar voren is gebracht in de rapporten van 10 december 2018 en 6 maart 2019 over het verschil in bevindingen van de onderzoeken in 2014 en 2018 is een voldoende gemotiveerde betwisting van de in het rapport van de deskundige neergelegde zienswijze over de beperkingen van appellante op de datum in geding. Er kan dan ook niet van uit worden gegaan dat de bevindingen in 2018 van toepassing geacht kunnen worden op de datum in geding.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 23 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX6809, en de uitspraak van 19 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011, BT8675) is slechts sprake van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of niet mag verrichten. In bijzondere gevallen kan arbeidsongeschiktheid op basis van medische objectiveerbaarheid worden aangenomen, ook als niet geheel duidelijk is aan welke ziekte of gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. Daarbij geldt de (minimum)eis dat bij de medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat, dat iemand als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten. Aan deze eis wordt in dit geval niet voldaan. Uit het rapport van de deskundige noch uit enig ander medisch rapport blijkt dat de door de deskundige genoemde beperkte vaardigheden en cognities van appellante voortvloeien uit ziekte of gebrek. Deze kunnen daarom niet leiden tot het aannemen van extra beperkingen.

5.4.

Evenals de rechtbank wordt, ook na kennisname van het rapport van de deskundige en zijn toelichting daarop, geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de beperkingen van appellante ten tijde in geding door de verzekeringsartsen zijn onderschat.

5.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

5.6.

Uit 5.2 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

6.3.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 4 maart 2015 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim zeven maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna vijf maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 29 mei 2015 van het beroepschrift van appellante heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim zes maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad van het hogerberoepschrift van appellante op 19 januari 2016 tot de datum van deze uitspraak drie jaar en ruim tien maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad.

6.4.

Er is geen aanleiding een langere behandelingsduur dan in 6.2 weergegeven gerechtvaardigd te achten. Dit leidt tot een schadevergoeding van twee maal € 500,-, dit is € 1.000,-, te betalen door de Staat.

6.5

Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in verband met het gehonoreerde verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 256,- ten laste van de Staat voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 256,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E. Dijt en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) M. Graveland

VC