Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
07-02-2019
Zaaknummer
15/2725 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Wettelijke rente. Redelijke termijn. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 2725 WAO, 15/4039 WAO

Datum uitspraak: 31 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88, 8:91 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2015, 13/3744 en 15 april 2015, 14/7172 (aangevallen uitspraken) en uitspraak op het verzoek om schadevergoeding

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van de schade alsook om veroordeling van het Uwv in de proceskosten.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 april 2015, 14/7172 op 14 augustus 2015 ingetrokken (kenmerk 15/4039 WAO).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2016. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De door de Raad als deskundige benoemde drs. H.S.R. Witte heeft op 25 mei 2015 rapport uitgebracht, waarop appellante nog heeft gereageerd.

Het Uwv heeft op 27 augustus 2018 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Appellante heeft vervolgens bij brief van 24 oktober 2018 ook het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 maart 2015, 13/3744 (kenmerk 15/2725 WAO) ingetrokken en tegelijkertijd nogmaals verzocht om vergoeding van schade wegens schending van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit laatste verzoek van appellante heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het Uwv heeft een reactie ingezonden.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Het onderzoek is vervolgens gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

1.2.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Staatsblad 2013, 50) in werking getreden. Op grond van deze wet is in titel 8.4 van de Awb een zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter ingevoerd over veroordeling van een bestuursorgaan tot vergoeding van schade. In artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is sindsdien, voor zover hier van belang, bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Indien het verzoek wordt gedaan in hoger beroep beslist de hogerberoepsrechter op het verzoek, tenzij hij het verzoek naar de rechtbank verwijst omdat het naar zijn oordeel behandeling door de rechtbank behoeft (artikel 8:91, derde lid, van de Awb).

2.1.

De Raad gaat ervan uit dat met het nadere besluit van 27 augustus 2018, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid op 80 tot 100% wordt gesteld op 31 mei 2012 en op 4 augustus 2013, volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante inzake haar aanspraken ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

2.2.

De Raad ziet voorts geen aanleiding het verzoek om schadevergoeding te verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland.

3. Wettelijke rente

3.1.

Uit het nadere besluit van 27 augustus 2018 wordt de erkenning door het Uwv afgeleid van de onrechtmatigheid van het als gevolg van de gewijzigde beslissing op bezwaar niet gehandhaafde besluit van 20 juni 2013.

3.2.

Bij de beoordeling van verzoeken tot veroordeling van een bestuursorgaan tot vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit zoekt de Raad aansluiting bij het civiele schadevergoedingsrecht. Naar vaste rechtspraak van de Raad en in lijn met artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek is voor vergoeding van schade vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

3.3.

De Raad wijst het verzoek van appellante toe om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958).

4. Redelijke termijn

4.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (vergelijk de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

4.2.

Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.

4.3.

Voor het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 13 november 2012 tot aan de dag van deze uitspraak zes jaar en ruim twee maanden zijn verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim 26 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.500,-. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar ruim zeven maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op

23 juli 2013 van het beroepschrift van appellante heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim een jaar en acht maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 21 april 2015 van het hoger beroepschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak drie jaar en ruim negen maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 192,31 (2/26e deel van € 2.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.307,69 (24/26e deel van € 2.500,-).

5. Proceskosten

5.1.

Het Uwv heeft bij het nieuwe besluit van 27 augustus 2018 tevens toegezegd de proceskosten in verband met het ingediende bezwaar tot een bedrag van € 874,- te vergoeden. Appellante heeft hiertegen geen verweer gevoerd zodat de Raad zich over die kosten niet meer behoeft uit te laten. Aanleiding wordt verder gezien om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, wegens verleende rechtsbijstand in beroep begroot op € 1.024,- (beroepschrift en zitting) en in hoger beroep op € 768,- (beroepschrift en reactie na verslag deskundige). Tot slot wordt aanleiding gezien de Staat en het Uwv gelijkelijk te veroordelen in de kosten die appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken tot een totaal bedrag van € 256,- (verzoekschrift schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wegingsfactor 0,5). In totaal komt het bedrag aan door het Uwv te vergoeden kosten op € 1.920,- en door de Staat op € 128,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van vergoeding van wettelijke rente als hiervoor in 3.3 weergegeven;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.307,69;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 192,31;

  • -

    veroordeelt de Staat in de kosten van appellante tot een bedrag van € 128,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.920,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2019.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R.L. Rijnen

LO