Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
18/4306 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag om bijstand. Niet alle stukken overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4306 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 8 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juni 2018, 17/1495 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] , beiden te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. E.R. Weegenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen tot 27 oktober 2015 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Appellanten hebben zich op 17 juni 2016 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de PW. Zij hebben de aanvraag op 14 juli 2016 ingediend.

1.3.

Bij besluit van 10 augustus 2016, zoals gehandhaafd bij besluit van 13 april 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen. Hieraan ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat onvoldoende inzicht bestaat in de financiële situatie van appellanten. Appellanten hebben wel van een aantal, maar niet van al hun bankrekeningen afschriften overgelegd. Van bankrekening (…) [nummer 1] hebben zij alleen transactieoverzichten verstrekt, waarop het begin- en eindsaldo niet zichtbaar zijn. Van bankrekening (…) [nummer 2] hebben zij geen afschriften en ook geen bewijs van opheffing ingeleverd. Uit de wel overgelegde bankafschriften blijkt dat in de periode van 27 oktober 2015 tot 17 juni 2016 bijschrijvingen en stortingen hebben plaatsgevonden tot in totaal € 15.707,85. Appellanten hebben niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt wat de herkomst van de bijschrijvingen en de stortingen is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Het college stelt zich terecht op het standpunt dat de financiële situatie van appellanten nog altijd onduidelijk is. Appellanten voeren aan dat zij bijna alle relevante gegevens hebben overgelegd en dat de niet overgelegde gegevens niet doorslaggevend zijn voor het al dan niet toekennen van bijstand, maar die grond slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat van twee bankrekeningen de bankafschriften ontbreken. Zonder inzage in die bankafschriften is en blijft de financiële situatie van appellanten onduidelijk en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Voor zover appellanten stellen dat het gelet op hun persoonlijke omstandigheden niet aan hen te wijten is dat de genoemde gegevens ontbreken, slaagt deze grond niet. De inlichtingenverplichting is immers geobjectiveerd. Voor zover appellanten niet begrepen wat er van hen werd verlangd, had het op hun weg gelegen om ter zake hulp te zoeken om daarover helderheid te verkrijgen. Zij hebben tot en met de procedure in hoger beroep de gelegenheid gehad de ontbrekende gegevens in te dienen, maar hebben dat niet gedaan. Omdat de financiële situatie van appellanten niet duidelijk is, kan ook niet worden beoordeeld of, zoals appellanten stellen, het niet verlenen van bijstand van een onevenredige hardheid getuigt voor appellanten en hun kinderen. De door appellanten aangevoerde gronden slagen niet.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

4.4.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2019.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J.B. Beerens