Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
18/5398 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak rechtbank ook zonder stempel rechtskracht. Besluiten bevoegd, in mandaat genomen. Afgewezen bijzondere bijstand voor een elektrische fiets. Dwangsom te berekenen vanaf eerste dag waarop twee weken na ingebreke stelling zijn verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5398 PW, 18/5399 PW, 18/5400 PW, 18/5401 PW, 18/5402 PW, 18/5403 PW,

18/5404 PW, 18/5405 PW

Datum uitspraak: 8 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

10 oktober 2018, 17/1650, 17/2028, 17/2700, 17/3119, 17/3938, 17/3941, 17/3966 en 17/4259 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Op 18 december 2018 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Ivanovic, mr. A.A.T.M. Brouns en

mr. P.J.J. Lenders.

Appellant en het college hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2019. Appellant is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aanvraag bijzondere bijstand elektrische fiets

1.1.

Bij besluit van 6 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van 16 december 2016 om bijzondere bijstand voor een elektrische fiets afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten noodzakelijk zijn vanwege zijn medische situatie.

1.2.

Bij besluit van 11 juli 2017 heeft het college aan appellant een dwangsom toegekend van € 490,- op de grond dat 21 dagen te laat is beslist op de aanvraag om bijzondere bijstand voor een elektrische fiets. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van de betaling van het bedrag van € 490,-. Bij besluit van 8 augustus 2017 heeft het college het bezwaar tegen het uitblijven van de betaling niet-ontvankelijk verklaard, omdat de termijn voor uitbetaling nog niet verlopen was. Appellant heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

1.3.

Bij besluit van 13 september 2017 heeft het college de aanvraag van 9 augustus 2017 om bijzondere bijstand voor een elektrische fiets buiten behandeling gelaten. Bij besluit van

1 november 2017 (bestreden besluit 6) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

13 september 2017 gegrond verklaard en dat besluit herzien in die zin dat de aanvraag niet buiten behandeling wordt gelaten, maar wordt afgewezen. Hieraan heeft het college, met verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden om af te wijken van bestreden besluit 1.

Aanvraag bijzondere bijstand alimentatie

1.4.

Bij brief van 18 december 2016 heeft appellant een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand ter hoogte van € 1.330,74 voor een schuld bij [NV] inzake een openstaande alimentatievordering (bijzondere bijstand voor alimentatie).

1.5.

Bij brief van 2 maart 2017 heeft appellant het college in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op de aanvraag om bijzondere bijstand voor alimentatie.

1.6.

Bij besluit van 12 april 2017 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor alimentatie afgewezen.

1.7.

Appellant heeft tegen het besluit van 12 april 2017 bezwaar gemaakt. Bij brief van
11 juli 2017 heeft appellant het college in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

1.8.

Bij besluit van 12 juli 2017 heeft het college aan appellant een dwangsom toegekend van € 700,- op de grond dat 28 dagen te laat is beslist op de aanvraag om bijzondere bijstand voor alimentatie.

1.9.

Op 14 juli 2017 heeft appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar tegen het besluit van 12 april 2017.

1.10.

Bij besluit van 24 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 oktober 2017 (bestreden besluit 4), heeft het college naar aanleiding van de ingebrekestelling van
11 juli 2017 geen dwangsom toegekend. Hieraan ligt ten grondslag dat het college ten tijde van de ingebrekestelling niet te laat was met het beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2017. De termijn van zes weken die het college heeft om op het bezwaar te beslissen, is namelijk gaan lopen op de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, dus op 25 mei 2017. Het college diende dus uiterlijk op
6 juli 2017 op het bezwaar te beslissen, welke termijn het college bij brief van 5 juli 2017 met zes weken heeft verdaagd. De ingebrekestelling van appellant van 11 juli 2017 was daarom prematuur.

1.11.

Bij besluit van 31 juli 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2017 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat artikel 13,
eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet (PW) aan het verlenen van bijstand voor een schuld in de weg staat. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de PW, om in afwijking daarvan toch bijzondere bijstand te verlenen.

1.12.

Bij besluit van 8 september 2017 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2017 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat de dwangsom moet worden berekend over de periode van 17 maart 2017 (de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de ingebrekestelling is ontvangen) tot en met
13 april 2017 (de dag waarop het besluit op de aanvraag is verzonden). Het bedrag van € 700,- is derhalve juist vastgesteld.

Aanvraag bijzondere bijstand stroom en gas

1.13.

Bij besluit van 4 april 2017 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor stroom en gas afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.14.

Bij brief van 12 augustus 2017 heeft appellant het college in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op de aanvraag om bijzondere bijstand voor stroom en gas. Appellant heeft in de brief aangegeven dat de besluitvorming op zijn aanvraag formele gebreken vertoont.

1.15.

Bij brief van 15 augustus 2017 heeft appellant het college in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2017.

1.16.

Bij besluit van 18 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
1 november 2017 (bestreden besluit 5), heeft het college naar aanleiding van de ingebrekestelling van 12 augustus 2017 geen dwangsom toegekend. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant het college niet voorafgaande aan het besluit van 4 april 2017 in gebreke heeft gesteld.

1.17.

Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van
4 april 2017 gegrond verklaard, dat besluit herroepen, en aan appellant een bedrag van
€ 349,93 aan bijzondere bijstand voor de meerkosten van energie over het jaar 2016 toegekend.

1.18.

Bij besluit van 6 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 december 2017 (bestreden besluit 7), heeft het college aan appellant een dwangsom toegekend van

€ 940,- op de grond dat 34 dagen te laat is beslist op het bezwaar tegen het besluit van
4 april 2017. Hieraan ligt ten grondslag dat de dwangsom moet worden berekend over de periode van 30 augustus 2017 (de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de ingebrekestelling is ontvangen) tot en met 2 oktober 2017 (de dag dat het besluit op het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2017 is verzonden).

Het besluit van 23 augustus 2018

1.19.

Bij brieven van 9 augustus 2018 heeft appellant het college in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het uitblijven van de betaling van het bedrag van € 490,- en op de bezwaren tegen de hiervoor genoemde besluiten van
6 april 2017, 12 april 2017, 12 juli 2017, 24 juli 2017, 18 augustus 2017, 13 september 2017 en 6 oktober 2017. Appellanten voert daartoe aan dat de bestreden besluiten 1 tot en met
7 niet bevoegdelijk zijn genomen. Van een rechtsgeldig mandaat is geen sprake. Ook heeft appellant het college in die brieven verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen. Bij besluit van 23 augustus 2018 heeft het college bepaald geen dwangsommen en geen schadevergoeding verschuldigd te zijn. Daaraan ligt ten grondslag dat de bestreden besluiten
1 tot en met 7 rechtsgeldig in mandaat zijn genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2017 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen bestreden besluiten 1, 3 en 4 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten, en de beroepen tegen bestreden besluiten 2, 5, 6 en 7 en het besluit van 23 augustus 2018 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak niet is voorzien van een stempel van de rechtbank en van handtekeningen van de rechter en de griffier en daarom geen rechtskracht heeft. Deze grond slaagt niet. In overeenstemming met artikel 8:79, eerste lid, van de Awb is een afschrift van de uitspraak aan partijen gezonden. In het dossier bevindt zich een origineel exemplaar van de aangevallen uitspraak, voorzien van de handtekeningen van de rechter en de griffier. Artikel 8:77, derde lid, van de Awb is dus niet geschonden. Er is daarom geen reden om de aangevallen uitspraak rechtskracht te ontzeggen. Dat de aangevallen uitspraak niet voldoet aan de in de Procesregeling bestuursrecht 2013 opgenomen voorschriften over het opmaken van een grosse maakt dit niet anders. De originele ondertekende uitspraak is immers geen grosse, en bovendien was ten tijde van de aangevallen uitspraak niet de Procesregeling bestuursrecht 2013, maar het Procesreglement bestuursrecht rechtbank niet-KEI-zaken 2017 van toepassing.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank niet aan de daar voor geldende vereisten voldoet. Deze grond slaagt niet, omdat de rechtbank geen proces-verbaal heeft opgemaakt, maar een afschrift van de zittingsaantekeningen heeft verzonden. Aan deze zittingsaantekeningen stelt de Awb geen vereisten.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de bestreden besluiten onbevoegd in mandaat zijn genomen en daarom geen rechtskracht hebben. Deze grond slaagt niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zijn de bestreden besluiten niet genomen door de betrokken juridisch medewerker. Deze hebben de beslissingen slechts voorbereid. De bestreden besluiten zijn ondertekend door de algemeen directeur/secretaris of door de directeur van de sector Burgers en Samenleving. Zij zijn door het college in het Mandaatbesluit gemeente Roermond 2015 (Mandaatbesluit) gemandateerd om namens het college een beslissing op bezwaar in het kader van de PW te nemen. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het Mandaatbesluit ‘leeg’ is, omdat onder artikel 3 van het Mandaatbesluit niet is ingevuld aan wie bevoegdheden worden gemandateerd. In artikel 3 van het Mandaatbesluit is slechts omschreven hoe de ondertekening van besluiten geformuleerd wordt. Aan wie bevoegdheden worden gemandateerd is opgenomen in artikel 2 van het Mandaatbesluit, in samenhang gelezen met de bijlage bij het Mandaatbesluit. Verder overtuigt de enkele stelling van appellant dat de handtekeningen onder het Mandaatbesluit niet afkomstig zijn van de daar genoemde functionarissen de Raad er niet van dat het Mandaatbesluit zou zijn ondertekend door anderen dan de bevoegde functionarissen, nu deze handtekeningen grote overeenkomsten vertonen met de andere handtekeningen van deze functionarissen die zich in het dossier bevinden. Tot slot is het voor een geldige ondertekening niet noodzakelijk dat in het Mandaatbesluit ook de namen zijn genoemd van de functionarissen die de besluiten hebben ondertekend. Ook bij de ondertekening van de bestreden besluiten hoeft op grond van wat in artikel 3 van het Mandaatbesluit is geregeld, niet de naam van de directeur van de sector Burgers en Samenleving te worden vermeld.·

Aanvraag bijzondere bijstand elektrische fiets

4.4.

Het college heeft de eerste aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor een elektrische fiets afgewezen, omdat de kosten uit medisch oogpunt niet noodzakelijk zijn. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten, omdat voor een elektrische fiets de Wet maatschappelijke ondersteuning een voorliggende voorziening is. De Raad is het met de rechtbank eens, gelet op de uitspraak van 27 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW0304). Dat, zoals appellant heeft gesteld, in de Beleidsregel bijzondere bijstand van de gemeente Enkhuizen is opgenomen dat voor een elektrische fiets bijzondere bijstand kan worden verleend tot een bedrag van € 1.250,-, maakt dit niet anders. Het college is niet gehouden rekening te houden met buitenwettelijk begunstigend beleid van de gemeente Enkhuizen.

4.5.

Het college heeft bij bestreden besluit 6 de tweede aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor een elektrische fiets afgewezen met verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft het beroep daartegen ongegrond verklaard. De Raad is het met de rechtbank eens, omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld die ertoe leiden dat moet worden teruggekomen van de afwijzing van de eerste aanvraag om bijzondere bijstand voor een elektrische fiets.

4.6.

Ten overvloede overweegt de Raad dat hij van oordeel is dat het college de nieuwe aanvraag van 15 januari 2019 om bijzondere bijstand voor of om vergoeding vanuit de

Wmo 2015 van de kosten van een elektrische fiets, ten onrechte heeft aangemerkt als aanvullende gronden en daarom ook ten onrechte aan de Raad heeft doorgestuurd.

Aanvraag bijzondere bijstand alimentatie

4.7.

Het college heeft de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor achterstallige alimentatie afgewezen, omdat behoudens bijzondere omstandigheden geen bijzondere bijstand kan worden verleend voor een schuld. Van zulke bijzondere omstandigheden is in het geval van appellant ook in hoger beroep niet gebleken.

4.8.

Appellant heeft tijdens de tweede zitting van de Raad aangevoerd dat in de gemeente Hof van Twente wel bijzondere bijstand wordt verleend voor schulden, waaruit blijkt dat dit wel mogelijk is. Deze beroepsgrond is niet eerder aangevoerd. Het college is niet ter zitting verschenen, zodat hij zich niet heeft kunnen uitlaten over deze beroepsgrond. Deze beroepsgrond zal uit een oogpunt van de goede procesorde buiten bespreking worden gelaten.

4.9.

Het college heeft een dwangsom toegekend van € 700,- naar aanleiding van de ingebrekestelling van 2 maart 2017, omdat hij 28 dagen te laat heeft beslist op de aanvraag om bijzondere bijstand voor alimentatie. De Raad is van oordeel dat het college de eerste dag waarover hij de dwangsom verschuldigd is, terecht heeft vastgesteld op 17 maart 2017 in plaats van op de datum van de ingebrekestelling. Uit artikel 4:17, derde lid, van de Awb blijkt namelijk dat pas een dwangsom is verschuldigd vanaf de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de ingebrekestelling is ontvangen.

4.10.

Het college heeft geen dwangsom toegekend naar aanleiding van de ingebrekestelling van 11 juli 2017. Het college was, anders dan appellant betoogt, ten tijde van de ingebrekestelling niet te laat met het beslissen op het bezwaar tegen het primaire besluit over de bijzondere bijstand voor alimentatie.

Aanvraag bijzondere bijstand stroom en gas

4.11.

Het college heeft geen dwangsom toegekend naar aanleiding van de ingebrekestelling van 12 augustus 2017, omdat appellant het college niet voorafgaande aan het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor gas en stroom van 4 april 2017 in gebreke heeft gesteld in verband met het uitblijven van een besluit op de aanvraag. Het college is geen dwangsom verschuldigd op grond van het enkele feit dat het te laat is met het beslissen op een aanvraag. Voor de verschuldigdheid van een dwangsom is ook nodig dat het college nog geen besluit heeft genomen als twee weken zijn verstreken vanaf de dag dat het college een ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.12.

Het college heeft een dwangsom toegekend van € 940,- naar aanleiding van de ingebrekestelling van 15 augustus 2017, omdat hij 34 dagen te laat heeft beslist op het bezwaar tegen het primaire besluit over bijzondere bijstand voor gas en stroom. Het college heeft de dwangsom terecht berekend over de periode van 30 augustus 2017 tot en met

2 oktober 2017. De Raad verwijst naar wat is overwogen in 4.9.

Het besluit van 23 augustus 2018

4.13.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ten onrechte mede gericht heeft geacht tegen het besluit van 23 augustus 2018, dat de rechtbank hiermee in ieder geval zes weken had moeten wachten, en dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Deze beroepsgronden slagen niet.

Artikel 4:19, eerste lid, van de Awb bepaalt namelijk dat het bezwaar, beroep en hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking heeft op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Er is geen rechtsregel op grond waarvan de rechtbank de bezwaartermijn van

zes weken zou moeten afwachten alvorens dit besluit mee te nemen in de beoordeling van de beroepen tegen de bestreden besluiten. Tot slot heeft de rechtbank, gelet op wat is overwogen onder 4.3, terecht geoordeeld dat de grond dat de beslissingen op bezwaar onbevoegd in mandaat zijn genomen en dat zij daarom geen rechtskracht hebben, niet slaagt. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2018 terecht ongegrond verklaard.

Conclusie

4.14.

Wat onder 4.1 tot en met 4.13 is overwogen, betekent dat de Raad het op alle punten eens is met de uitspraak van de rechtbank, zodat die uitspraak zal worden bevestigd.

Schadevergoeding en proceskosten

5.1.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding en wettelijke rente over de bedragen die hij ten onrechte niet kreeg. Omdat geen sprake is van bedragen die appellant ten onrechte niet gekregen heeft, wordt het verzoek afgewezen.

5.2.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2019.

(getekend) A. Stehouwer

` (getekend) V. Y. van Almelo