Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
19/180 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Buitenlandbijdrage. Wat verzoeker heeft aangevoerd zijn geen (nieuwe) feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:119 van de Awb en de discussie over de vastgestelde buitenlandbijdragen over 2012 en 2013 is met de uitspraak van de Raad van 11 juli 2018 afgesloten. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 180 ZVW, 19/181 ZVW

Datum uitspraak: 2 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 juli 2018, 16/8121 ZVW en 16/8122 ZVW

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

CAK

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 juli 2018 en nadere stukken ingezonden.

CAK heeft geen reactie op dit verzoek om herziening ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2019. Verzoeker is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij zijn uitspraak van 11 juli 2018 heeft de Raad geoordeeld dat het tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 december 2016 (16/1574 en 16/1796) ingestelde hoger beroep niet slaagt en die uitspraak bevestigd. De Raad heeft zich in deze uitspraak beperkt tot een beoordeling van de buitenlandbijdrage over de jaren 2012 en 2013. De Raad heeft overwogen dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat CAK zich terecht en op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant over 2012 en 2013 een buitenlandbijdrage verschuldigd is en dat de rechtbank op goede gronden het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.

3. Verzoeker heeft naar voren gebracht dat de beslissing op bezwaar van CAK van
5 augustus 2011 waarbij is vastgesteld dat appellant over 2008 geen buitenlandbijdrage verschuldigd is en de uitdraaien van NiNbi- en Fibase-gegevens aanleiding zijn voor het herzieningsverzoek. Deze uitdraaien heeft hij in november 2018 van CAK verkregen en vermelden in de rubriek “Kiezer” de aanduiding K of NK. Ook stelt hij de Zorgverzekeringswet en zijn dubbele verzekering tegen ziektekosten ter discussie.

4.1.

Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

4.2.

De onder 3 genoemde beslissing op bezwaar en de NiNbi-beschikkingen behoorden tot de gedingstukken die hebben geleid tot de uitspraak van de Raad van 11 juli 2018. De op de uitdraaien vermelde aanduiding K of NK als indicatie voor de keuze voor het Nederlandse belastingsysteem zou niet hebben kunnen leiden tot een andere uitspraak. Wat verzoeker heeft aangevoerd zijn dan ook geen (nieuwe) feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:119 van de Awb en de discussie over de vastgestelde buitenlandbijdragen over 2012 en 2013 is met de uitspraak van de Raad van 11 juli 2018 afgesloten.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M. Graveland

md