Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
18/5528 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:7275, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit het bezwaarschrift is niet af te leiden dat ook bezwaar is gemaakt tegen de intrekking en de terugvordering. Het bezwaar betreft het verrekeningsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5528 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 8 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 september 2018, 18/3157 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene Wet van Bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 24 februari 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellant stond vanaf 1 november 2013 tot en met 14 juni 2016 met een bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Nadat het college was gebleken dat appellant in 2015 inkomsten als zelfstandige had doorgegeven aan de Belastingdienst, heeft een medewerker van het team Inkomen handhaving en diensten van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 5 juli 2017. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 juli 2017 de bijstand van appellant over de periode van 1 november 2013 tot en met 4 juni 2016 in te trekken.

1.4.

Bij besluit van 12 januari 2018 heeft het college appellant meegedeeld dat maandelijks een bedrag van € 99,21 zal worden ingehouden op de bijstand.

1.5.

Bij besluit van 15 januari 2018 heeft het college de over de periode van 1 november 2013 tot en met 4 juni 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 38.431,68 van appellant teruggevorderd.

1.6.

Appellant heeft op 1 februari 2018 bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Namens mijn client (…) teken ik bezwaar aan tegen de bijgaande beslissing inzake zijn recht op bijstand van 12 januari 2018, gebaseerd op de Participatiewet.

Client kan zich niet vinden in de maandelijkse verrekening en inhouding van euro 99,21. Mijn client meent dat de gemeente geen vordering op hem heeft. Hij is niet op de hoogte gebracht van een herziening en terugvordering van de uitkering zodat onderhavige verrekening en inhouding niet toelaatbaar zijn."

1.7.

Bij de beslissing op bezwaar van 5 april 2018 (bestreden besluit) heeft het college vastgesteld dat appellant geen bezwaar heeft ingediend tegen de besluiten tot intrekking en terugvordering van 7 juli 2017 en 15 januari 2018. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2018 gegrond verklaard in die zin dat pas met ingang van 1 februari 2018 maandelijks 10% van de bijstandsnorm (€ 99,21) op de bijstand van appellant zal worden ingehouden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij in het bezwaarschrift van 1 februari 2018 niet alleen bezwaar heeft gemaakt tegen de verrekening, maar ook tegen de intrekking en terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, volgt uit het bezwaarschrift van 1 februari 2018 niet dat appellant ook bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten tot intrekking en terugvordering van 7 juli 2017 en 15 januari 2018. Uit het bezwaarschrift, zoals weergegeven onder 1.6, blijkt dat het bezwaar ziet op het besluit van 12 januari 2018. Duidelijk wordt ook waarom appellant het met dát besluit niet eens is. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en waarom met dat bezwaarschrift ook bezwaar zou zijn gemaakt tegen de intrekking en terugvordering.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2019.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) R.I.S. van Haaren

sg