Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
17/7928 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:8013, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De opgelegde boete in verband met niet gemelde werkzaamheden is evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7928 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2017, 16/8262 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 1 oktober 2019

Zitting heeft: P.W. van Straalen, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: V.Y. van Almelo

Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.J.M. Codrington.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellant heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch medegedeeld dat hij net terug van vakantie de uitnodiging voor de zitting heeft aangetroffen en niet kan komen. Hij heeft verzocht de behandeling van de zaak uit te stellen. Appellant is bij brief van 29 augustus 2019 op de hoogte gesteld van de behandeling van zijn zaak op 1 oktober 2019. De Raad ziet in de mededeling van appellant geen aanleiding de behandeling van de zaak uit te stellen en wijst het verzoek daartoe af.

Het gaat in deze zaak om het opleggen van een boete van € 550,- in verband met door appellant verrichte werkzaamheden voor een uitzendbureau, waarvan hij bij het college geen melding heeft gedaan.

Niet in geschil is dat appellant in de periode van 9 september 2013 tot en met

3 november 2014 werkzaamheden heeft verricht voor een uitzendbureau. Hij heeft van die werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten geen melding gedaan bij het college.

Het college heeft daarmee aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Hij stelt weliswaar dat hij dacht dat het uitzendbureau de loonstroken zou doorsturen naar het college, maar daarvan geven de stukken geen blijk, zodat hier verder aan wordt voorbijgegaan.

Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 550,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.

De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom bevestigen.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat dan geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) V.Y. van Almelo (getekend) P.W. van Straalen

sg