Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
19/2937 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:4835, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Kortsluiting. Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Aanstelling terecht niet verlengd na ontslagverzoek van betrokkene. Betrokkene was weliswaar ziek en de medische documenten die zich bij de gedingstukken bevinden, geven een bevestiging van de persoonlijke zorgen van betrokkene, maar die documenten bevatten tegelijkertijd geen indicatie dat betrokkene niet in staat zou zijn om een weloverwogen beslissing te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/493
AB 2019/515 met annotatie van L.J.A. Damen
TAR 2020/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2937 AW, 19/2938 AW-VV

Datum uitspraak: 10 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2019, 18/5255 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van
4 juli 2019

Partijen:

het bestuur van de Stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (verzoeker)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. B. van Bon hoger beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. W.P. Bekenkamp, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Bon en [naam]. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bekenkamp.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was vanaf 9 juni 2017 tot en met 8 juni 2018 in tijdelijke dienst van de Stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (BOOR) en werkzaam als [functie 1].

1.2.

Bij besluit van 28 maart 2018 is de tijdelijke aanstelling van betrokkene met ingang van

9 juni 2018 omgezet in een aanstelling voor onbepaalde tijd. Op 5 april 2018 heeft betrokkene zich ziek gemeld.

1.3.

Bij e-mail van 10 mei 2018 heeft betrokkene aan haar leidinggevende het volgende laten weten: “Na lang nadenken en overwegen heb ik toch besloten om mijn contract bij BOOR met ingang van 8 juni 2018 te beëindigen. Na vele gesprekken is er ook uitgekomen dat ik toch niet op mijn plek zit als [functie 2] bij BOOR. Op dit moment zit ik ook nog steeds niet echt lekker in mijn vel. Via een familielid krijg ik de kans om vanaf juni een paar uur per week de administratie te doen. Hij is heel erg flexibel met de tijden en dagen en dat is voor mij nu heel erg fijn.”

1.4.

Bij e-mail van 14 mei 2018 heeft betrokkene, nadat haar door een collega is gevraagd om te blijven, aan haar leidinggevende gemeld dat ze goed over haar ontslagverzoek heeft nagedacht. Ze heeft daarbij herhaald dat ze haar dienstverband bij BOOR wil beëindigen. Haar leidinggevende heeft in reactie hierop bij e-mail van dezelfde datum laten weten dat zij “ervoor zal zorgen dat zij alles bij PSA op schrift laat stellen”.

1.5.

Bij brief van 17 mei 2018 heeft haar leidinggevende bevestigd dat betrokkene ervoor heeft gekozen het aanbod van een vaste aanstelling niet te accepteren en dat dit betekent dat de tijdelijke aanstelling van rechtswege afloopt op 8 juni 2018.

1.6.

Bij besluit van 12 juni 2018 is aan betrokkene meegedeeld dat haar tijdelijke aanstelling niet wordt verlengd. Bij e-mail van 14 juni 2018 heeft betrokkene kenbaar gemaakt dat zij wil terugkomen op haar ontslagverzoek. Appellante heeft tegen het besluit van 12 juni 2018 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 september 2018 (bestreden besluit) heeft verzoeker dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding en ten overvloede overwogen dat het bezwaar ongegrond is. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene verzuimd heeft bezwaar te maken tegen de inhoud van de brief van

17 mei 2018.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 12 juni 2018 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarnaast heeft verzoeker verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten totdat uitspraak is gedaan op het hoger beroep.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.1.2.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.1.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Ontvankelijkheid bezwaar

4.3.

Verzoeker betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de brief van

17 mei 2018 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betoog slaagt niet. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De brief van 17 mei 2018 is geen besluit in voormelde zin, omdat de inhoud van deze brief niet op rechtsgevolg is gericht. De brief omvat in hoofdzaak een bevestiging van de keuze van betrokkene om het aanbod van een vaste aanstelling niet te accepteren. Weliswaar wijst de leidinggevende erop dat dit zal betekenen dat de tijdelijke aanstelling op

8 juni 2018 afloopt, maar zowel de leidinggevende als betrokkene gingen ervan uit dat de consequenties voor de rechtspositie van betrokkene in een apart besluit zou worden neergelegd. Dit besluit is verzonden op 12 juni 2018. Anders dan onder de brief van
17 mei 2018, is onder dit besluit dan ook een bezwaarclausule vermeld. Kennelijk was verzoeker ten tijde van het besluit van 12 juni 2018 nog van opvatting dat tegen dat besluit bezwaar open stond. Het is dan ook voor de Raad moeilijk te volgen dat verzoeker dan in de beslissing op dat bezwaar van opvatting wijzigt – ten nadele van betrokkene – en het standpunt inneemt dat het bezwaar ontijdig is, omdat tegen de inhoud van de brief van
17 mei 2018 bezwaar had moeten worden gemaakt. De conclusie is dat verzoeker bij besluit van 12 juni 2018 voor het eerst een schriftelijke beslissing heeft genomen over de rechtspositie van betrokkene. Het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2018 is tijdig ingediend en dus is het bezwaar ontvankelijk.

Niet verlengen van de aanstelling

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9294) moet een ontslagverzoek kunnen worden herleid tot een in vrijheid genomen beslissing van de ambtenaar. Indien de ambtenaar onder druk van de omstandigheden waarborgen en rechten prijsgeeft, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat de ambtenaar zich ten volle bewust is van zijn (rechts)positie, van de gevolgen van zijn ontslagname en van eventuele alternatieven, en dat hij voldoende gelegenheid heeft om tot een afgewogen beslissing te komen. Daarbij dient het bestuursorgaan - zeker indien het de daartoe benodigde informatie niet zelf verstrekt - de ambtenaar voldoende gelegenheid te geven zich van deskundig juridisch advies te voorzien.

4.5.

Verzoeker betoogt dat de keuze van betrokkene om af te zien van de haar geboden vaste aanstelling in vrijheid is gemaakt en dat na ontvangst van de tweede e-mail van 14 mei 2018 nader onderzoek naar de beweegredenen van betrokkene achterwege mocht blijven. Dit betoog slaagt. Nu betrokkene na de e-mail van 10 mei 2018 haar beslissing opnieuw heeft overwogen en vervolgens op 14 mei 2018 heeft herhaald, hoefde verzoeker geen nader onderzoek meer te doen. Ook in de periode na de e-mail van 14 mei 2018 hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die verzoeker hadden moeten nopen tot nader onderzoek. Verzoeker heeft dan ook in toereikende mate aan zijn vergewisplicht voldaan. De e-mails van betrokkene duiden op een weloverwogen keuze, gebaseerd op objectieve en externe omstandigheden. Betrokkene was weliswaar ziek en de medische documenten die zich bij de gedingstukken bevinden, geven een bevestiging van de persoonlijke zorgen van betrokkene, maar die documenten bevatten tegelijkertijd geen indicatie dat betrokkene niet in staat zou zijn om een weloverwogen beslissing te nemen.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep van verzoeker slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Gelet op wat in 4.3 is overwogen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2018 ongegrond te verklaren. Gelet op de uitspraak in de hoofdzaak bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

5. Aanleiding bestaat verzoeker te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.024,- en € 22,- aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over de proceskosten en

griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 september 2018;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 18 september 2018;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2018 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt verzoeker in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.046,-;

  • -

    bepaalt dat van verzoeker een griffierecht van € 519,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F. Demiroğlu

md