Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
16/6632 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingeschakelde deskundige volgen. FML aangepast. De in de geselecteerde functies voorkomende belasting overschrijdt de belastbaarheid van appellante niet. Verdergaande beperkingen aangenomen door Uwv naar aanleiding van deskundige. Pas in hoger beroep voldoende motivering, geen benadeling belanghebbende, proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/32 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6632 WIA

Datum uitspraak: 10 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

8 september 2016, 16/838 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B.M. Vaessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken overgelegd.

De Raad heeft een psychiater als deskundige benoemd. Psychiater F.B. van der Wurff heeft op 1 maart 2019 rapport uitgebracht.

Het Uwv en appellante hebben op het rapport van de deskundige gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vaessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als productiemedewerkster kippenverwerking voor 40 uur per week. Zij heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld wegens psychische klachten.

1.2.

Op 2 mei 2008 heeft appellante een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Vervolgens is appellante per einde wachttijd in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering, omdat zij volledig arbeidsongeschikt was.

1.3.

Bij besluit van 7 januari 2010 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat zij vanaf

1 maart 2010 in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%.

1.4.

Bij besluit van 2 september 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat de WIA-uitkering van appellante per 3 november 2015 wordt beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hieraan ligt een verzekeringsgeneeskundig rapport, een psychiatrische expertise van psychiater P.J.H. Notten en een arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

1.5.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 september 2015 is bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 6 april 2016 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 september 2015 alsnog gegrond verklaard. Daarbij is de WIA-uitkering van appellante, met inachtneming van een uitlooptermijn, per 4 april 2016 beëindigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen van procesbelang en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op zorgvuldige en volledige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen hebben bij hun onderzoek, naast hun eigen bevindingen, het rapport van psychiater Notten van 4 juni 2015 betrokken. Notten ziet bij zijn psychiatrisch onderzoek geen kenmerken van schizofrenie. Hij concludeert dat er geen diagnose volgens de DSM IV is te stellen en dat er geen stoornissen en beperkingen in de zelfverzorging zijn. De conclusies van Notten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende medisch onderbouwd en eenduidig en overtuigend gemotiveerd. Gelet op de bevindingen van de verzekeringsartsen in samenhang bezien met het rapport van Notten, is toereikend gemotiveerd dat appellante op de datum in geding geen beperkingen heeft op het psychische vlak. Appellante heeft in beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat haar psychische belastbaarheid onjuist is ingeschat. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de passendheid van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), productiemedewerker metaal en elektro-industrie (SBC-code 111171) en medewerker intern transport (SBC-code 111220). Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellante, met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden wegens het aanzeggen van nieuwe functies, met ingang van 4 april 2016 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft ten onrechte de diagnose schizofrenie in twijfel getrokken. De rechtbank heeft het standpunt van psychiater Notten ten onrechte laten prevaleren boven het standpunt van de behandelend GGZ-psychiater. Volgens appellante is zij onveranderd volledig arbeidsongeschikt, zonder zicht op verbetering. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante verwezen naar brieven van psychiater Winkler van 17 november 2016 en 21 juni 2017 en een second opinion van psychiater J.G.E. Janzing van 17 maart 2017.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 mei 2017 en 6 juli 2017, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit voor zover haar beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard.

3.3.

In de uiteenlopende conclusies en diagnoses van de psychiaters aangaande de psychische toestand van appellante heeft de Raad aanleiding gezien om een psychiater als deskundige te benoemen. In het in de rubriek procesverloop vermelde rapport heeft de door de Raad geraadpleegde deskundige op basis van de door partijen ingebrachte medische stukken, een eigen psychiatrisch onderzoek en een aanvullend neuropsychologisch onderzoek van klinisch psycholoog J. de Jonghe, geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat er bij appellante sprake is van een psychotische stoornis in het kader van schizofrenie. Evenmin is een primair depressieve stoornis aannemelijk om de problemen van appellante vanuit psychiatrisch oogpunt te verklaren. Aannemelijk is dat bij appellante sprake is van een persisterende aanpassingsstoornis, samenhangend met beperkte copingvaardigheden, in samenhang met de stress die zij in haar leven ervaart. Hoewel een aanpassingsstoornis een relatief milde psychiatrische stoornis is, leidt de lange duur van de problemen, tegen de achtergrond van appellantes beperkte coping, tot een soms autonoom beloop en daarmee tot beperkingen op dit gebied. Deze stoornis en de daarmee samenhangende beperkingen waren ook op de datum in geding, 4 april 2016, aanwezig. De beperkingen vanuit psychiatrisch oogpunt zijn licht tot matig van ernst te noemen. De deskundige is van mening dat er voor appellante op de datum in geding meer beperkingen golden dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn opgenomen, te weten voor doelmatig en zelfstandig handelen van het persoonlijk functioneren, en in samenwerken en conflicthantering van het sociaal functioneren, waarbij het aan de verzekeringsarts is om vast te stellen of dit betekent dat er beperkingen moeten worden vastgesteld of dat het volstaat specifieke voorwaarden op te stellen.

3.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 10 april 2019 te kennen gegeven de bevindingen van de deskundige te volgen, waarna conform het CBBS-handboek in een aangepaste FML van 5 april 2019 beperkingen zijn opgenomen voor samenwerking en conflicthantering. Ten aanzien van de door de deskundige genoemde beperkingen op het vlak van doelmatig en zelfstandig handelen heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er mogelijk wel enige beperking is, maar niet van die ernst dat dit dient te leiden tot een beperking onder de normaalwaarde in de FML, omdat daarvan alleen sprake is bij mensen met een ernstige psychiatrische stoornis. Het door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op basis van de aangepaste FML uitgevoerde onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat alle eerdere voor appellante geselecteerde functies, ondanks de wijzigingen in de FML, nog steeds voor haar geschikt zijn, zodat er geen aanleiding is voor een gewijzigd standpunt.

3.5.

In reactie op de bevindingen en conclusies van de deskundige heeft appellante haar standpunt herhaald dat er wel degelijk sprake is van een psychiatrische stoornis, te weten schizofrenie. Daarbij heeft appellante, onder verwijzing naar de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 5 oktober 2000, 31365/96 (Varbanov-Bulgaria) en van de Hoge Raad van 26 september 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD4275), aangevoerd dat het oordeel over een psychiatrische stoornis uitsluitend toekomt aan een ‘medical expert’, zijnde een psychiater, en niet aan een verzekeringsarts of neuropsycholoog en dat, nu het merendeel van de psychiaters tot schizofrenie en in elk geval tot een aanpassingsstoornis heeft geconcludeerd, hieraan doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft alle beschikbare medische informatie in de beoordeling betrokken, inclusief de informatie van de behandelend psychiaters van appellante. Op basis van de bevindingen van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met inachtneming van de CBBS-systematiek de FML aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 april 2019 toegelicht dat de voor appellante geselecteerde functies, ondanks de aanscherping van de FML, voor appellante op de datum in geding geschikt zijn te achten. Tegen de wijze waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bevindingen van de deskundige in de FML van 5 april 2019 heeft neergelegd heeft appellante geen gronden ingebracht. De grond dat het oordeel over een psychiatrische stoornis uitsluitend toekomt aan een ‘medical expert’, zijnde een psychiater, treft geen doel, aangezien de bevindingen en conclusies in het deskundigenrapport afkomstig zijn van een psychiater. Dat in het kader van de psychiatrische expertise een aanvullend neuropsychologisch onderzoek is verricht doet daaraan niet af. Appellante heeft tegen de geschiktheid van de voor haar geselecteerde functies geen concrete gronden aangevoerd en ook overigens wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de functies, uitgaande van de FML van 5 april 2019, in medisch opzicht niet geschikt voor appellante zouden zijn. Het Uwv heeft toereikend gemotiveerd dat de in de geselecteerde functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

4.2.

Omdat het Uwv verdergaande beperkingen voor appellante heeft aangenomen en pas in hoger beroep voldoende is gemotiveerd dat appellante met die gewijzigde beperkingen in staat is de geselecteerde functies te verrichten, kleeft er in zoverre een gebrek aan het bestreden besluit 2. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook indien het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met diezelfde strekking zijn genomen.

4.3.

De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd met verbetering van gronden.

5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.280,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek en 1 punt voor de zitting), alsmede op een bedrag van € 34,53 voor reiskosten (openbaar vervoer), totaal € 1.314,53.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.314,53;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2019.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) E.D. de Jong

TM