Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
17/4113 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering in verband met bijschrijvingen en kasstortingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 januari 2019

17/4113 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 april 2017, 16/7317 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.E. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Vries. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 oktober 1991 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een heronderzoek heeft het college appellante bij brief van

26 augustus 2015 verzocht bankafschriften van alle bankrekeningen te overleggen. Uit de door appellante overgelegde bankafschriften is gebleken dat regelmatig stortingen en bijschrijvingen van derden op de bankrekening van appellante hebben plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft een handhavingsspecialist van de Sociale Dienst van de

gemeente Diemen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben op 14 oktober 2015 en 3 november 2015 gesprekken met appellante plaatsgevonden en zijn ontbrekende gegevens bij appellante opgevraagd. Uit het onderzoek is onder meer gebleken dat appellante een bankrekening heeft op Curaçao waarop zij sinds 2012 inkomsten uit een ouderdomspensioen van de

Sociale verzekeringsbank (Svb) Nederlandse Antillen (ouderdomspensioen) ontvangt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 december 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

27 juli 2016 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2015 te herzien door rekening te houden met de door appellante ontvangen inkomsten en de teveel betaalde bijstand over deze periode tot een bedrag van € 16.731,70 bruto van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante in de periode in geding inkomsten heeft gehad die zij niet heeft gemeld. Het gaat om contante stortingen op haar bankrekening waarvoor appellante geen afdoende verklaring heeft gegeven, om bijschrijvingen van derden waarvan appellante niet heeft aangetoond dat het leningen zijn en om een verzwegen ouderdomspensioen dat zij vanaf 1 juli 2012 van de Svb

Nederlandse Antillen op een niet gemelde bankrekening ontvangt. Deze inkomsten zijn in mindering gebracht op de bijstand van appellante.

1.4.

Bij besluit van 13 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 juli 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2015.

4.2.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat het college de bijstand terecht heeft herzien en teruggevorderd voor wat betreft de ontvangen bedragen aan ouderdomspensioen. Vaststaat verder dat appellante, naast de ontvangst van het ouderdomspensioen, in de periode van 10 januari 2014 tot 1 oktober 2015 stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekening heeft ontvangen en dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door van deze stortingen en bijschrijvingen geen melding te maken.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de stortingen en bijschrijvingen deels leningen betreffen, dat zij de geleende gelden moet terugbetalen en dat deze daarom niet als middel voor de bijstand kunnen worden aangemerkt.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. De stelling van appellante dat de kasstortingen en bijschrijvingen deels afkomstig zijn uit leningen en deze moeten worden terugbetaald, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Een geldlening is immers in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, nog daargelaten of daarvan in dit geval kan worden gesproken, kan alleen in geval sprake is van een als vermogen aan te merken middel van belang zijn. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Verder is van belang dat appellante in de maanden waarin de kasstortingen en bijschrijvingen plaatsvonden bijstand ontving en zij niet was aangewezen op het aangaan van geldleningen om te kunnen voorzien in de kosten van haar levensonderhoud. Het college heeft de kasstortingen en bijschrijvingen dan ook terecht aangemerkt als inkomsten die in mindering moeten worden gebracht op de bijstand.

4.5.

Appellante heeft verder aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4.6.

Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare maatschappelijke en/of financiële consequenties voor de betrokkene zou leiden. De door appellante gestelde financiële problemen doordat zij zowel de te veel betaalde bijstand als de leningen moet terugbetalen, vormen geen dringende redenen. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft appellante als schuldenaar bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

md