Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
18-4361 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:5149, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand voor stofferingskosten. Geen bijzondere omstandigheid omdat appellant had kunnen reserveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4361 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 8 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2018, 17/6951 en 17/7253 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2019. Namens appellant is verschenen mr. A. El Idrissi, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Tang.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds juli 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Hij lijdt aan een chronische nieraandoening. Appellant woonde in bij zijn moeder. Op 22 december 2015 heeft appellant een urgentieverklaring gekregen ten behoeve van het vinden van nieuwe woonruimte in verband met zijn medische omstandigheden. Appellant woont sinds 7 februari 2017 zelfstandig op het adres [adres] .

1.2.

Op 25 januari 2017 en op 29 maart 2017 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het inrichten van zijn nieuwe woning. Het college heeft deze aanvragen afgewezen op de grond dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat hij voor de kosten kon reserveren.

1.3.

Appellant heeft op 24 juli 2017 bijzondere bijstand aangevraagd voor stofferingskosten voor dezelfde woning. Bij besluit van 26 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 oktober 2017 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat, gelet op de aanvragen van 25 januari 2017 en van 29 maart 2017, sprake is van een herhaalde aanvraag en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die zouden kunnen leiden tot herziening van het standpunt dat in het geval van appellant geen sprake is van bijzondere omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

2.1.

In de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2017 wordt onderscheid gemaakt tussen stofferingskosten en inrichtingskosten. Bijzondere bijstand voor stofferingskosten wordt om niet verstrekt en bijzondere bijstand voor inrichtingskosten in de vorm van een lening. Verder is in de toelichting op de beleidsregels vermeld dat bijzondere bijstand die is verleend voor stofferingskosten niet mag worden besteed voor inrichtingskosten. Gelet hierop is de strekking van de onderhavige aanvraag niet gelijk aan een aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Het college heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een herhaalde aanvraag. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

2.2.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niettemin in stand kunnen worden gelaten op grond van het nader ingenomen standpunt van het college. Vaststaat dat aan appellant op 22 december 2015 een urgentieverklaring is afgegeven, omdat zijn toenmalige woning niet geschikt voor hem was. Vanaf dat moment tot het moment waarop hij is verhuisd, begin februari 2017, had appellant de tijd om te reserveren voor de stofferingskosten van zijn nieuwe woning. Daarbij is van belang dat appellant al geruime tijd een Wajong-uitkering ontving, die ruim boven de voor hem toepasselijke bijstandsnorm voor een kostendeler lag. Verder zijn aan appellant in 2016 meerdere toelagen voor nierpatiƫnten en voor meerkosten van medische zorg toegekend. Appellant heeft zijn stelling dat deze toelagen niet voldoende zijn om de extra kosten in verband met zijn medische situatie te dekken, niet onderbouwd. Voor zover appellant stelt dat hij vanwege schulden niet in staat was te reserveren voor de stofferingskosten, wijst de rechtbank er op dat volgens vaste rechtspraak het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid is (uitspraak van 26 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2191). Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij tot verlening van bijzondere bijstand had moeten overgaan.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat hij niet in staat was om voor de stofferingskosten te reserveren. Vanwege een nieraandoening heeft appellant allerlei extra kosten en hij had kosten om leuke dingen te doen met zijn zoon. Daarnaast lopen er vanaf 22 december 2015 verschillende betalingsregelingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop gemotiveerd ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overweging, zoals weergegeven onder 2.2, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat het college ook in 2017 aan appellant bijzondere bijstand heeft verleend voor kosten die samenhangen met zijn nieraandoening. Appellant heeft niet inzichtelijk gemaakt noch onderbouwd dat de uit zijn aandoening voortvloeiende kosten, dan wel andere kosten, dermate hoog waren, dat hij onder de gegeven omstandigheden niet in staat was om voor de stofferingskosten te reserveren.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van
F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
8 oktober 2019.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) F.H.T.M. Robbers