Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3182

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
18-472 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen afstemming tot 90% van de gehuwdennorm van de met toepassing van artikel 24 van de PW verleende bijstand, 50% van de gehuwdennorm, verhoogd met 20% in verband met gemis aan ALO-kop. Met de middelen van de niet rechthebbende, niet rechtmatig in Nederland verblijvende echtgenoot in het gezin wordt rekening gehouden bij het gezinsinkomen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij verkeerde in een zeer bijzondere situatie die tot afstemming noopte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/315
JWWB 2019/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 472 PW

Datum uitspraak: 8 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2017, 17/2063 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Yigitdol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Yigitdol. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 september 2004 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Zij is gehuwd met X, die de Libische nationaliteit heeft en ongewenst verklaard is. Appellante en X wonen samen met hun vier minderjarige kinderen. X wordt door het college aangemerkt als niet-rechthebbende partner, omdat hij niet rechtmatig verblijf in Nederland houdt en in verband daarmee geen recht op bijstand heeft. X ontvangt leefgeld ter hoogte van € 60,- per week van de Stichting Vluchtelingen in de knel, wat neerkomt op € 260,- per maand.

1.2.

In reactie op de aanvraag om bijzondere bijstand van appellante van 2 december 2015 voor, kort gezegd, een aanvulling op haar algemene bijstand, heeft het college appellante bij besluit van 30 december 2015 het volgende laten weten. Appellante ontvangt met ingang van 1 januari 2016 bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder) tot een bedrag van € 962,63 netto per maand. Omdat appellante bij de Belastingdienst staat geregistreerd met een toeslagpartner, te weten X, en deze registratie niet kan beëindigen, komt zij niet in aanmerking voor een verhoging van het kindgebonden budget in de vorm van de zogeheten alleenstaande ouder-kop (ALO-kop). Om die reden wordt de bijstand over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 afgestemd met toepassing van artikel 18,
eerste lid, van de PW en uit dien hoofde verhoogd met een bedrag van € 275,04 per maand.

1.3.

Op 16 februari 2017 heeft appellante opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd voor een aanvulling op haar algemene bijstand per 1 januari 2017 om te kunnen voorzien in de kosten van levensonderhoud, omdat zij door de werking van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen niet in aanmerking komt voor de ALO-kop en ook niet voor zorgtoeslag.

1.4.

Bij besluit van 8 maart 2017, zoals aangevuld bij besluit van 10 maart 2017 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Gelet op artikel 24 van de PW heeft appellante recht op bijstand ter hoogte van 50% van de gehuwdennorm. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW wordt de bijstand afgestemd en uit dien hoofde aangevuld tot 70% van de gehuwdennorm wegens het gemis van de ALO-kop. Aangezien appellante voldoende inkomsten heeft om haar vaste lasten te betalen en in de kosten van levensonderhoud te voorzien, bestaat geen aanleiding voor een verdere afstemming tot 90% van de gehuwdennorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Bij uitspraak van 25 april 2018, (ECLI:NL:CRVB:2018:1515) heeft de voorzieningenrechter van de Raad beslist op het verzoek om voorlopige voorziening van appellante. Hierbij heeft de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat het college aan appellante met ingang van 1 maart 2018 een voorschot op haar bijstand verleent ter hoogte van 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden, onder aftrek van de middelen waarover X kan beschikken. De voorzieningenrechter heeft daartoe van belang geacht dat appellante bij haar verzoek om voorlopige voorziening een opstelling van vaste lasten en inkomsten had overgelegd, leidende tot een maandbegroting die inclusief de aflossingen van schulden sluit op een tekort van € 145,11.

3.2.

In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bepreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de onder 1.4 weergegeven besluitvorming en de nadere toelichting van het college ter zitting van de Raad staat vast dat appellante vanaf 1 januari 2017 bijstand ontving ter hoogte van 50% van de gehuwdennorm en dat het college de bijstand per die datum heeft afgestemd en aangevuld tot 70% van de gehuwdennorm wegens het gemis van de ALO-kop. Tussen partijen is, zoals ter zitting is besproken, uitsluitend in geschil of het college met ingang van 1 januari 2017 met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de bijstand van appellante had moeten aanvullen tot 90% van de gehuwdennorm. Appellante heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de door haar in hoger beroep ingebrachte opstelling van inkomsten en vaste lasten, dat haar inkomen onvoldoende toereikend is om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan van haar en haar kinderen.

4.2.

Het college is op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW gehouden de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de PW, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492) is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand slechts plaats in zeer bijzondere situaties.

4.3.

Ten aanzien van de noodzaak om de bijstand met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW nader af te stemmen op de specifieke situatie van appellante is van belang dat X, met wie appellante gehuwd is, over middelen beschikt. Vergelijk de uitspraak van
13 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:408. In haar opstelling van inkomsten en vaste lasten, waarover appellante ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat alle inkomsten en uitgaven zijn opgenomen waar rekening mee moet worden gehouden, heeft appellante haar inkomsten begroot op in totaal € 1.597,27 per maand en haar vaste lasten, inclusief de kosten van boodschappen, op € 1.636,33 per maand. In deze begroting heeft appellante dus een maandelijks tekort van € 34,07. Appellante heeft bij dit tekort de aflossingen van schulden tot een bedrag van in totaal € 90,04 opgenomen en komt dan uit op een maandelijks tekort van € 124,11 per maand. Appellante heeft in haar opstelling echter geen rekening gehouden met de middelen van X, in de vorm van leefgeld tot een bedrag van € 260,- per maand, waarmee hij kan bijdragen in de kosten van levensonderhoud van het gezin van appellante. Zelfs als rekening zou worden gehouden met de door appellante gepresenteerde aflossingen van haar schulden, dan zijn de inkomsten van appellante, samen met de middelen van X, nog steeds hoger dan de door haar gepresenteerde vaste lasten.

4.4.

Gelet op 4.3 heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij vanaf 1 januari 2017 verkeerde in een zeer bijzondere situatie in de onder 4.2 bedoelde zin. Voor het college bestond in dit geval daarom geen aanleiding de bijstand van appellante nader af te stemmen en aan te vullen tot 90% van de bijstandsnorm voor gehuwden.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en W.F. Claessens en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2019.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) S.H.H. Slaats