Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3175

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
16/6685 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IVA-uitkering ten onrechte geweigerd. Door de verzekeringsarts is niet inzichtelijk onderbouwd dat appellant met inzet van de eventuele, nog ontbrekende behandeling benutbare mogelijkheden voor arbeid zal krijgen. Appellant was op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Besluit is niet deugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6685 WIA, 18/3637 WIA

Datum uitspraak: 2 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van

22 september 2016, 15/3470 (aangevallen uitspraak 1) en 18 mei 2018, 17/4565 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 (16/6685 WIA) heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Namens appellant is mr. Groeneweg verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

Het onderzoek is na de zitting heropend.

Besloten is om de hoger beroepen van appellant verder gevoegd te behandelen.

Partijen hebben desgevraagd verklaard in beide zaken geen gebruik te maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als fietsenmaker voor 36 uur per week en als schoonmaker voor 12 uur per week. Op 23 januari 2008 is hij uitgevallen met psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 20 januari 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100% met een looptijd van de loongerelateerde uitkering tot 20 juli 2011. Aansluitend is aan appellant per 20 juli 2011 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend.

16 6685 WIA

1.2.

Appellant heeft op 4 juli 2014 bij het Uwv gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd en het Uwv verzocht om een IVA-uitkering. Bij deze melding heeft appellant een verklaring van zijn behandelend psychiater dr. A. Limburg-Okken van 16 juli 2014 overgelegd. Er heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door een verzekeringsarts, die appellant heeft gezien op het spreekuur van 21 juli 2014 en de beperkingen van appellant heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum. De verzekeringsarts verwacht, zoals blijkt uit zijn rapport, dat bij adequate behandeling van de klachten van appellant zijn medische situatie en functionele mogelijkheden wezenlijk zullen verbeteren. Volgens hem heeft appellant daarom geen aanspraak op een IVA-uitkering. Een arbeidsdeskundige heeft op 17 september 2014 rapport uitgebracht en geconcludeerd dat appellant nog in staat is een aantal functies uit te oefenen, waardoor zijn mate van arbeidsongeschiktheid ongeveer 6% bedraagt. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 20 oktober 2014 de

WGA-loonaanvullingsuitkering van appellant met ingang van 17 december 2014 beëindigd, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant heeft het Uwv bij besluit van 1 juni 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. De rechtbank heeft aanleiding gezien, gelet ook op de informatie van de behandelend psychiater van appellant, om psychiater J.P.A. van Eck als deskundige te benoemen. De deskundige heeft bij rapport van 28 juni 2016 vragen van de rechtbank beantwoord en geconcludeerd dat appellant op de datum in geding leed aan een ernstige chronische depressieve stoornis met psychotische kenmerken. Op grond van het psychiatrisch beeld dat naar voren komt uit zijn eigen onderzoek en de informatie van de behandelaars, is volgens de deskundige bij appellant sprake van ernstige beperkingen op het gebied van het persoonlijk en sociaal functioneren. Op de vraag of op de datum in geding, 17 december 2014, sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid heeft de deskundige als volgt geantwoord:

“Duurzame arbeidsongeschiktheid veronderstelt dat er geen verbetering meer mogelijk is. Zolang appellant nog niet alle beschikbare behandelingen heeft gehad is hier geen sprake van. Echter, vanuit het ziektebeeld is te verklaren dat appellant geen behandeling meer wil. (…) Grond voor behandelen tegen zijn wil is er niet. Lithiumtoevoeging maar zeker elektroconvulsieve therapie (ECT) zou het toestandsbeeld positief kunnen beïnvloeden.”

2.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van het rapport van de deskundige op 13 juli 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen en het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard. Het Uwv heeft het besluit van 20 oktober 2014 herroepen in die zin dat de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellant met ingang van 17 december 2014 onveranderd wordt gecontinueerd. Aan bestreden besluit 2 ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag, die op basis van het rapport van de deskundige heeft geconcludeerd dat appellant op 17 december 2014 niet beschikte over benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt in zijn rapport dat de reactie van Van Eck op de vraag over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gelezen kan worden als een pleidooi om een IVA-uitkering toe te kennen, maar hij is zelf van mening dat duurzaamheid niet aan de orde is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat de psychische toestand van appellant door een opname of door andere of aanvullende medicatie nog zou kunnen verbeteren. Hij sluit niet uit dat appellant (maar meer nog zijn familie) gemotiveerd kan worden om toe te werken naar een behandeling. Omdat de kans op herstel via behandeling van appellant door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet als minder dan gering wordt ingeschat, heeft appellant volgens het Uwv geen recht op een

IVA-uitkering.

2.3.

Appellant kan zich niet verenigen met dit besluit, omdat hij meent dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

2.4.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich op basis van de rapporten van Van Eck en de verzekeringsarts bezwaar en beroep op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat op de datum in geding geen sprake was van een situatie waarin verbetering van de belastbaarheid van eiser niet of nauwelijks nog is te verwachten en daarmee dus niet van duurzame arbeidsongeschiktheid. Volgens Van Eck zijn er nog behandelmogelijkheden op grond waarvan verbetering in de toestand van appellant is te verwachten. Hij heeft in dat kader onder meer het gebruik van medicatie genoemd. Het niet kunnen meewerken aan behandeling is weliswaar een uiting van de bij appellant aanwezige stoornis, maar Van Eck heeft op grond daarvan niet geconcludeerd dat van reële behandelingsmogelijkheden geen sprake is. Er is alleen geen grond voor gedwongen behandeling, omdat niet wordt voldaan aan het gevaarcriterium. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep acht behandelmogelijkheden reëel. De beslissing om geen IVA-uitkering toe te kennen is hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd.

3.1.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van het Uwv om hem geen IVA-uitkering toe te kennen voldoende zorgvuldig is gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet uitgesloten dat appellant door zijn omgeving gemotiveerd zou kunnen worden om toe te werken naar een behandeling. Volgens appellant is dit nu juist al herhaalde keren geprobeerd en heeft dit tot niets geleid. Appellant heeft de Raad ter zitting verzocht een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil tussen partijen in hoger beroep betreft alleen de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 17 december 2014 moet worden geacht tevens duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat appellant op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de toegekende WGA-loonaanvullingsuitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3.

In de uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) heeft de Raad overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval dat de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 12 juli 2016 en in zijn aanvullende rapport van 19 december 2016 gemotiveerd dat er geen sprake is van een situatie van duurzame arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep meent dat de weigering van appellant om een behandeling te ondergaan niet helemaal op het conto van de ziekte komt en sluit niet uit dat appellant en zijn familie gemotiveerd kunnen worden om gezamenlijk met de curatieve sector toe te werken naar de door psychiater Van Eck gesuggereerde behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is daarmee tot de conclusie gekomen dat de kans op herstel niet minder dan gering is.

4.5.

De motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet overtuigend. Uit de beantwoording door de deskundige van de vragen van de rechtbank volgt dat zolang appellant niet alle mogelijke behandelingen heeft gehad, niet kan worden gezegd dat geen verbetering meer mogelijk is. De deskundige heeft ook gesteld dat uit het ziektebeeld van appellant is te verklaren dat hij geen behandeling meer wil en dat er geen grond is om hem tegen zijn wil te behandelen. Gelet op wat in 4.3 is overwogen is van belang dat ook in voldoende mate duidelijk moet zijn, dat het alsnog ondergaan van een behandeling zal kunnen leiden tot een verbetering van de belastbaarheid van appellant, vergroting van zijn arbeidsmogelijkheden en tot afname van zijn arbeidsongeschiktheid. Door de verzekeringsarts is niet inzichtelijk onderbouwd dat appellant met inzet van de eventuele, nog ontbrekende behandeling benutbare mogelijkheden voor arbeid zal krijgen. Uit de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt niet wat het mogelijke resultaat van de behandeling is voor appellant en zijn functionele mogelijkheden. Daarmee ontbreekt een essentieel onderdeel van de noodzakelijke verzekeringsgeneeskundige inschatting. Bij dit oordeel heeft de Raad mede van belang geacht dat er op de datum in geding al vele jaren sprake is van ernstige psychische klachten en er geen verbetering heeft plaatsgevonden.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat moet worden aangenomen dat appellant op de datum in geding van 17 december 2014 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Bestreden besluit 2 is niet deugdelijk gemotiveerd.

4.7.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 ten onrechte het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en ten onrechte dat besluit in stand gelaten. Aangevallen uitspraak 1 zal worden vernietigd voor zover door appellant aangevochten. Het beroep tegen bestreden besluit 2 wordt gegrond verklaard en dit besluit wordt vernietigd voor zover daarbij is beslist dat appellant geen recht heeft op een

IVA-uitkering. De Raad ziet aanleiding, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat appellant met ingang van

17 december 2014 recht heeft op een IVA‑uitkering, omdat uit de voorhanden zijnde gegevens voldoende blijkt dat op 17 december 2014 voldaan wordt aan de voorwaarde van duurzaamheid.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.024,- voor rechtsbijstand.

18 3637 WIA

6. Appellant heeft op 14 december 2016 opnieuw een melding verslechterde gezondheid gedaan bij het Uwv. Er heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door een verzekeringsarts via een spreekuur op 24 januari 2017 en een rapport van 22 maart 2017. Bij besluit van

22 maart 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellant niet wijzigt met ingang van 14 december 2016. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 oktober 2017 (bestreden besluit 3) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 3 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

7. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

8.1.

Appellant heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Appellant is van mening dat hij recht heeft op een IVA-uitkering.

8.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

9. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

9.1.

Gelet op overwegingen 4.4 tot en met 4.7, waaruit volgt dat appellant met ingang van

17 december 2014 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering, slaagt het hoger beroep in deze zaak ook. Aangevallen uitspraak 2 zal worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 3 is gegrond en dit besluit zal eveneens worden vernietigd. Het besluit van

22 maart 2017 wordt herroepen.

9.2.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 512,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 512,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

in de zaak met nummer 16/6685 WIA:

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2016 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover een IVA-uitkering is geweigerd;

  • -

    stelt vast dat appellant met ingang van 17 december 2014 recht heeft op een IVA-uitkering;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van

13 juli 2016;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.024,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt;

en in de zaak met nummer 18/3637 WIA:

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 2;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2017 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 22 maart 2017;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

  • -

    € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) P. Boer

KS