Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
18/5447 AW-W
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft met de indiening van het wrakingsverzoek op 2 september 2019 onvoldoende voortvarend gehandeld, zodat het verzoek niet voldoet aan het vereiste van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb. De Raad wijst in dit verband op zijn vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van 15 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3976, en 15 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3385). De te late indiening betekent dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/495
NJB 2019/2203
USZ 2019/339
JB 2019/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/5447 AW-W

Datum uitspraak: 3 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoekster] (verzoekster)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft bij brief van 11 oktober 2018 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 december 2016, 15/6187 AW, in het geding tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Katwijk aan Zee (het college).

Bij brief van 26 oktober 2018 heeft mr. J. van Zanten, advocaat, zich gesteld als gemachtigde van het college en nadien namens het college een verweerschrift ingediend.

Op 25 juli 2019 heeft mr. C.H. Bangma (behandelend rechter) de zaak van verzoekster ter zitting behandeld. Daarbij waren verzoekster en mr. Van Zanten aanwezig.

Bij brief van 2 september 2019 heeft verzoekster aan de behandelend rechter verzocht zich terug te trekken als behandelend rechter, onder aanzegging van een wraking als hij daartoe niet zou besluiten.

Bij brief van 3 september 2019 is aan verzoekster meegedeeld dat de behandelend rechter zich niet zou terugtrekken van de behandeling en dat haar brief daarom als wrakingsverzoek in behandeling is genomen.

De behandelend rechter heeft bij brief van 10 september 2019 op het wrakingsverzoek gereageerd met een verwijzing naar artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Verzoekster en de behandelend rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 26 september 2019. Verzoekster is verschenen. De behandelend rechter is, zoals aangekondigd, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Uit artikel 8:16, eerste lid, van de Awb volgt dat het verzoek om wraking moet worden ingediend zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding zijn voor het wrakingsverzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.

3. Verzoekster heeft als grond voor de wraking aangevoerd dat de behandelend rechter niet alle hem ten dienste staande middelen heeft gebruikt om te (laten) onderzoeken of

mr. Van Zanten het college mocht vertegenwoordigen.

4. Verzoekster was zelf ter zitting van 25 juli 2019 aanwezig en de wijze waarop het college was vertegenwoordigd is toen door de behandelend rechter met partijen besproken. Van de mogelijkheid op dat moment een wrakingsverzoek in te dienen heeft verzoekster geen gebruik gemaakt. Aan het eind van de zitting heeft de behandelend rechter het onderzoek ter zitting gesloten. Van na de sluiting van het onderzoek opgekomen feiten of omstandigheden die maken dat het verzoekster niet zou kunnen worden tegengeworpen dat zij het verzoek ruim vijf weken na de sluiting ter zitting van het onderzoek heeft ingediend, is niet gebleken. Het proces-verbaal van de zitting van 25 juli 2019, het wrakingsverzoek en de daarop ter zitting van de wrakingskamer gegeven toelichting, geven geen aanleiding op dit punt tot een andere conclusie te komen. Verzoekster heeft met de indiening van het wrakingsverzoek op

2 september 2019 dan ook onvoldoende voortvarend gehandeld, zodat het verzoek niet voldoet aan het vereiste van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb. De Raad wijst in dit verband op zijn vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van 15 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3976, en 15 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3385). De te late indiening betekent dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om wraking van de behandelend rechter niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door E. Dijt als voorzitter en W.H. Bel en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2019.

(getekend) E. Dijt

(getekend) V.Y. van Almelo

JvC