Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
18/4809 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het weigeren of toekennen van een stimuleringspremie als bedoeld in artikel 55y, eerste lid, van het Barp geschiedt na de vaststelling dat er al dan niet een passende functie beschikbaar zal zijn. Deze vaststelling vereist een onderzoek door de korpschef. De korpschef heeft de aanvraag van appellant afgewezen omdat hij niet heeft kunnen vaststellen dat er voor appellant geen passende functie meer beschikbaar zal zijn, nu appellant nadat hem een eerste passende functie is aangeboden ontslag heeft genomen en het de korpschef daardoor onmogelijk heeft gemaakt om hem een tweede passende functie aan te bieden. Dat appellant ontslag heeft genomen betekent echter niet dat de korpschef niet heeft kunnen onderzoeken of voor appellant wel of geen (tweede) passende functie beschikbaar zou zijn geweest. Dat appellant geen functie meer kon worden aangeboden, is voor de vaststelling of een passende functie beschikbaar zou zijn geweest, niet van betekenis. Nu de korpschef dit onderzoek heeft nagelaten, is sprake van een onzorgvuldig voorbereid besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/511
TAR 2020/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4809 AW

Datum uitspraak: 3 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

19 juli 2018, 17/2929 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Appellant is verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.W.J. van der Steen en mr. J. Wegen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de politie. Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef in het kader van de omzetting van functies naar het Landelijk Functiegebouw Nationale Politie (LFNP) als oorspronkelijke functie van appellant per 1 januari 2012 vastgesteld de functie van [functie 1], gewaardeerd in salarisschaal 10. Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de korpschef appellant in het kader van de omzetting van functies naar het LFNP per 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en hem per zelfde datum herplaatst in de LFNP-functie van [functie 2], gewaardeerd in salarisschaal 10, in de formatie van de eenheid [eenheid]. Het tegen de herplaatsing gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 juli 2017 ongegrond verklaard.

1.2.

Op 21 juli 2016 heeft appellant in verband met zijn ontslag verzocht om toekenning van een vertrekstimuleringspremie als bedoeld in artikel 55y van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

1.3.

Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft de korpschef appellant op diens verzoek per
1 september 2016 eervol ontslag verleend.

1.4.

Bij besluit van 18 januari 2017 heeft de korpschef het verzoek om een vertrekstimuleringspremie afgewezen. Appellant is één passende functie aangeboden. Hij heeft deze echter geweigerd en vervolgens zelf ontslag genomen, terwijl hiertoe volgens de korpschef geen noodzaak bestond. Doordat appellant zelf ontslag nam kon de korpschef hem geen tweede passende functie meer aanbieden.

1.5.

Bij besluit van 15 mei 2017 (bestreden besluit) heeft de korpschef het tegen het besluit van 18 januari 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Op grond van artikel 55n, eerste lid, van het Barp is het bevoegd gezag verplicht om de herplaatsingskandidaat binnen een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf het moment dat de aanwijzing als herplaatsingskandidaat bekend is gemaakt of het moment waarover de herplaatsingskandidaat schriftelijk is geïnformeerd, ten minste tweemaal een passende functie aan te bieden. Op grond van artikel 55y, eerste lid, van het Barp kan het bevoegd gezag aan een herplaatsingskandidaat op diens aanvraag en onder verlening van ontslag op eigen verzoek een vertrekstimuleringspremie toekennen als het heeft vastgesteld dat er voor deze herplaatsingskandidaat geen passende functie meer beschikbaar zal zijn. De korpschef heeft appellant één passende functie aangeboden. Appellant heeft die functie afgewezen. Nu appellant zelf ontslag heeft genomen, heeft hij de korpschef de mogelijkheid ontzegd hem een tweede passende functie aan te bieden. Er is daarom onvoldoende grond om aan te nemen dat de korpschef appellant in de resterende tien maanden van de herplaatsingsperiode geen tweede passende functie had kunnen aanbieden. Van een onbillijkheid van overwegende aard of van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 55v van het Barp is geen sprake. De keuze van appellant voor de overstap naar de [Dienst] is zijn persoonlijke keuze geweest, waarvan hij zelf de consequenties moet dragen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tot 1 juni 2016 was artikel 55y, eerste lid, van het Barp imperatief geformuleerd: “Op aanvraag van de herplaatsingskandidaat en van de pre-herplaatsingskandidaat aan wie, nadat hij tot pre-herplaatsingskandidaat of herplaatsingskandidaat is aangewezen, van wie door het bevoegd gezag is vastgesteld dat er voor hem geen passende functie meer beschikbaar zal zijn, op eigen verzoek ontslag verleend wordt op grond van artikel 87 en die, behoudens de vrijwillige politie, buiten de politie werkzaam gaat zijn wordt een vertrekstimuleringspremie toegekend” (Stb. 2011, 125).

4.2.

Per 1 juni 2016 is artikel 55y, eerste lid, van het Barp facultatief geformuleerd: “Indien het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat er voor een herplaatsingskandidaat geen passende functie meer beschikbaar zal zijn, kan deze herplaatsingskandidaat op diens aanvraag en onder verlening van ontslag op eigen verzoek op grond van artikel 87 een vertrekstimuleringspremie worden toegekend” (Stb. 2016, 489).

4.3.

Op grond van artikel 99k, eerste lid, van het Barp blijft artikel 55y zoals dat luidde direct voorafgaand aan 1 juni 2016 van toepassing op de ambtenaar - zoals appellant - die als gevolg van de reorganisatie Politiewet 2012 of enige andere voor 1 juni 2016 gestarte reorganisatie herplaatsingskandidaat wordt of is geworden (Stb. 2016, 489).

4.4.

De korpschef heeft ter zitting van de Raad erkend dat de aanvraag van appellant ten onrechte is afgedaan met toepassing van artikel 55y, eerste lid, van het Barp zoals dat luidde vanaf 1 juni 2016. Gelet op wat hierna wordt overwogen, is appellant hierdoor niet in zijn belangen geschaad en ziet de Raad aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren.

4.5.

Het weigeren of toekennen van een stimuleringspremie als bedoeld in artikel 55y,
eerste lid, van het Barp geschiedt na de vaststelling dat er al dan niet een passende functie beschikbaar zal zijn. Deze vaststelling vereist een onderzoek door de korpschef. De korpschef heeft de aanvraag van appellant afgewezen omdat hij niet heeft kunnen vaststellen dat er voor appellant geen passende functie meer beschikbaar zal zijn, nu appellant nadat hem een eerste passende functie is aangeboden ontslag heeft genomen en het de korpschef daardoor onmogelijk heeft gemaakt om hem een tweede passende functie aan te bieden. Dat appellant ontslag heeft genomen betekent echter niet dat de korpschef niet heeft kunnen onderzoeken of voor appellant wel of geen (tweede) passende functie beschikbaar zou zijn geweest. Dat appellant geen functie meer kon worden aangeboden, is voor de vaststelling of een passende functie beschikbaar zou zijn geweest, niet van betekenis. Nu de korpschef dit onderzoek heeft nagelaten, is sprake van een onzorgvuldig voorbereid besluit.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De korpschef moet opnieuw op het bezwaar beslissen. Mocht de korpschef tot de conclusie komen dat voor appellant nog een tweede passende functie beschikbaar zou zijn geweest, dan zal de korpschef die concrete functie in de nieuwe beslissing op bezwaar moeten noemen en moeten onderbouwen waarom die functie passend zou zijn geweest.

5. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil zal de Raad met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat een - eventueel - beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

6. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen tot vergoeding van de kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand, in zowel bezwaar als in beroep, telkens tot een bedrag van

€ 1.012,-, in totaal € 2.024,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 mei 2017 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt de korpschef op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te
nemen op het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2017 en bepaalt dat beroep tegen deze
beslissing slechts kan worden ingesteld bij de Raad;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag

van € 2.024,-;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 421,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en C.H. Bangma en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) F. Demiroğlu

md