Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3159

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
19/711 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit ten onrechte niet aan de in de brief van 18 december 2017 vermelde gemachtigde van appellant gestuurd. Dit betekent dat het bestreden besluit, gelet op artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet “op de voorgeschreven wijze” als bedoeld in artikel 6:8 van de Awb is bekendgemaakt. Beroepstermijn niet op 2 januari 2018 aangevangen. Beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Terugverwijzing rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/502
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 711 AOW

Datum uitspraak: 19 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 december 2018, 18/3104 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 22 augustus 2017 heeft de Svb de aanvraag van appellant om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) afgewezen. Bij brief van 17 november 2017 heeft de Svb de ontvangst van het bezwaarschrift op 17 oktober 2017 aan appellant bevestigd. Hierbij is tevens vermeld dat appellant voor 17 januari 2018 een beslissing op zijn bezwaarschrift krijgt. Ook is verzocht het formulier “Aanvraag hoorgesprek” vóór 19 december 2017 aan de Svb terug te sturen. Bij brief van

18 december 2017 heeft appellant het formulier “Aanvraag hoorgesprek” aan de Svb verstuurd. Op dit formulier heeft appellant de naam en het adres van zijn gemachtigde in Utrecht vermeld. Bijgevoegd heeft appellant de aan die gemachtigde gegeven volmacht om hem te vertegenwoordigen bij de Nederlandse pensioeninstanties en alles te doen wat nodig is voor zijn pensioen. Het formulier “Aanvraag hoorgesprek” en de volmacht is door de Svb uiterlijk op 28 december 2017 ontvangen.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 2 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2017 ongegrond verklaard. Dit besluit is verzonden aan appellant in Marokko.

1.3.

De Svb heeft op 28 maart 2018 een brief van appellant ontvangen, gericht tegen het bestreden besluit. In deze brief die gedateerd is 11 maart 2018, heeft appellant onder meer te kennen gegeven dat hij het bestreden besluit pas op 8 maart 2018 heeft ontvangen. De Svb heeft de brief als beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Daartoe is overwogen dat de Svb de verzending van het bestreden besluit op 2 januari 2018 aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling van appellant dat hij het besluit van

2 januari 2018 pas op 8 maart 2018 heeft ontvangen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de tijdige ontvangst van genoemd besluit op zijn adres te betwijfelen. Ook uit de door de in beroep overgelegde informatie van PostNL volgt zulke twijfel niet, omdat brieven vanuit Nederland naar Marokko blijkens die informatie 4-8 dagen onderweg zijn. Uitgaande van de verzending op 2 januari 2018 was de laatste dag van de beroepstermijn

13 februari 2018. Het beroepschrift van appellant is van na die datum. Niet is gebleken van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ter zitting heeft de Svb bevestigd dat het bestreden besluit ten onrechte niet aan de in de brief van 18 december 2017 vermelde gemachtigde van appellant is gestuurd. Dit betekent dat het bestreden besluit, gelet op artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet “op de voorgeschreven wijze” als bedoeld in artikel 6:8 van de Awb is bekendgemaakt. Met de verzending van het bestreden besluit op 2 januari 2018 is de beroepstermijn dan ook niet aangevangen. Dat beroep is ingesteld voordat het besluit van 2 januari 2018 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, leidt ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, niet tot niet-ontvankelijkheid nu het bestreden besluit op 2 januari 2018 wel reeds tot stand was gekomen. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat het beroepschrift gedateerd 11 maart 2018 te laat bij de rechtbank is ingediend. De rechtbank heeft dit niet onderkend en het beroep van appellant wegens te late indiening ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd.

3.2.

In deze zaak wordt geen aanleiding gezien het geschil definitief te beslechten. In beroep en in hoger beroep is alleen gesproken over de ontvankelijkheid van het beroep van appellant. De rechtbank is aan een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit niet toegekomen. De zaak zal met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb worden teruggewezen naar de rechtbank.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

lh