Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
18/579 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten. Geen bijzondere omstandigheden. Consistente toepassing buitenwettelijk beleid van college. Appelante behoort niet tot de doelgroep; zij is niet direct vanuit de vrouwenopvang in eigen woning getrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/579 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 1 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 december 2017, 17/2643 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Chahid.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is geboren in 1976 en ontvangt sinds 2010 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

1.2.

Appellante heeft met ingang van 9 december 2015 een urgentieverklaring gekregen voor een woning in de gemeente Utrecht. Zij verbleef op dat moment in een vrouwenopvang. Op 26 mei 2016 heeft appellante de huurovereenkomst van een woning getekend. Vervolgens is appellante uit de vrouwenopvang vertrokken en heeft zij een tijdlang bij haar zus gewoond. Op 20 december 2016 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend ingevolge de Participatiewet (PW) voor verhuis- en inrichtingskosten tot een bedrag van

€ 5.000,-.

1.3.

Bij besluit van 9 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 mei 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat verhuis- en inrichtingskosten incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn die in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. In het geval van appellante is geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan. Appellante ontvangt een Wajong-uitkering en wist al langere tijd dat zij zou gaan verhuizen. Eiseres had daarom voor de betreffende kosten kunnen reserveren. Ook op grond van artikel 17 van de Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht 2016 (RBBU) heeft appellante geen recht op bijstand, nu zij eerst bij haar zus in [plaatsnaam] heeft gewoond nadat zij de vrouwenopvang had verlaten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 35, eerste lid, van de PW bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de PW niet van toepassing zijn.

4.2.

Verhuis- en inrichtingskosten zijn incidentele algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Ook als voor het maken van deze kosten een objectieve noodzaak bestaat kan daarvoor alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Of iemand voor de kosten heeft kunnen reserveren of de kosten via gespreide betaling achteraf kan voldoen, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3.

Niet in geschil is dat de kosten van verhuizing en woninginrichting zich voordoen en dat die kosten in het geval van appellante noodzakelijk zijn. Tussen partijen is in geschil of tevens is voldaan aan de voorwaarde dat de betreffende kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat de periode waarin het voor haar mogelijk was om te reserveren te kort is geweest. Zij heeft in de periode van november 2015 (toen zij de urgentieverklaring heeft aangevraagd) tot november 2016 (toen zij in haar woning is getrokken) ongeveer € 1.200,- kunnen reserveren, uitgaande van 10% van haar Wajong-uitkering per maand, wat te weinig is voor betaling van de kosten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante had immers ook in deze kosten kunnen voorzien via gespreide betaling achteraf door een lening af te sluiten bij de Kredietbank. Daarbij komt dat appellante haar stelling dat zij pas vanaf november 2015 kon reserveren, niet heeft onderbouwd. Dit klemt te meer nu ter zitting van de Raad naar voren is gekomen dat appellante vóórdat zij in de vrouwenopvang verbleef bij haar ouders woonde, niet eerder zelfstandig heeft gewoond en sinds 2010 een Wajong-uitkering ontvangt.

4.5.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij tot de speciale doelgroep behoort zoals bepaald in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de RBBU en op die grond recht heeft op bijstand voor de kosten van woninginrichting. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.6.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de RBBU komen de noodzakelijke kosten van inrichting van een woning voor bijstandsverlening in aanmerking, als de belanghebbende behoort tot een van de volgende doelgroepen en feitelijk geen goederen en/of middelen bezit om een woning in te richten: (…) d. personen die na vertrek uit een vrouwenopvang opnieuw een eigen woning gaan betrekken.

4.7.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze beleidsregel moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid, voor zover het college op grond hiervan - ook zonder dat zich bijzondere omstandigheden voordoen - bijzondere bijstand voor de kosten van inrichting van een woning kan verlenen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1918) dient buitenwettelijk begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.8.

Vaststaat dat appellante niet rechtstreeks vanuit de vrouwenopvang haar woning in [woonplaats] heeft betrokken. Anders dan appellante meent, heeft het college zich op grond hiervan op het standpunt mogen stellen dat appellante niet tot de doelgroep behoort zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de RBBU. Dat appellante aansluitend op de vrouwenopvang al over de eigen woning beschikte en de huur betaalde doet hier niet aan af. Evenmin kan hieraan afdoen de stelling dat appellante slechts tijdelijk bij haar zus in [plaatsnaam] verbleef wegens de problematiek op grond waarvan zij in eerste instantie in de vrouwenopvang terecht is gekomen. Dit te meer niet, nu appellante eerder bij haar ouders woonde en dus niet opnieuw een eigen woning ging betrekken. Gelet hierop heeft het college met het bestreden besluit op consistente wijze toepassing gegeven aan het beleid.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) L. Hagendijk