Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
17/6003 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5660, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De met ingang van 23 april 2017 toegenomen arbeidsongeschiktheid komt niet voort uit een zelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan appellant gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. De hogerberoepsgronden zijn in essentie een herhaling van de gronden in bezwaar en beroep. De rechtbank heeft deze medische gronden terecht verworpen. Geen nadere medische stukken ingebracht. Appellant is in staat de voor hem geselecteerde functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6003 WIA

Datum uitspraak: 30 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2017, 16/6008 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Winia hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 augustus 2019 heeft mr. H. Martens, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2019. Appellant is verschenen, vergezeld door [naam A] en bijgestaan door mr. Martens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als functioneel beheerder bij de gemeente [naam gemeente],

voor 35,86 uur per week. Op 15 april 2014 heeft hij zich ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet. Op 9 januari 2016 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 4 maart 2016 aan appellant met ingang van 12 april 2016 een loongerelateerde WGA‑uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 50,93%.

1.2.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 maart 2016 is bij besluit van

1 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 juli 2016. Deze verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd en de hoorzitting op 4 juli 2016 bijgewoond. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op 6 juli 2016 aangepast omdat de FML niet op alle punten conform de invulinstructie van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem was opgesteld, met name ten aanzien van enkele kwalitatieve toelichtingen. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een beperking ten aanzien van drukke omgevingen onder de juiste noemer gebracht. In een rapport van 25 juli 2016 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep na gewijzigde functieselectie geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 12 april 2016 ongewijzigd 50,93% bedraagt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant correct heeft vastgesteld. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellant de werkzaamheden behorende bij de aan hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij als gevolg van lichamelijke en psychische klachten meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. In een schriftelijke toelichting van 7 augustus 2019 heeft appellant beschreven dat het Uwv hem niet heeft geholpen en dat hij zich niet serieus genomen voelt. Hij is hierdoor financieel in de problemen gekomen. Appellant zou graag zien dat het Uwv dit erkent. Verder heeft appellant vermeld dat hij in 2017 een hartinfarct heeft gehad. Appellant heeft een beslissing op bezwaar van 16 april 2018 overgelegd, waaruit blijkt dat het Uwv met ingang van 23 april 2017 aan appellant een loongerelateerde WIA-uitkering heeft toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant naar voren gebracht dat appellant vergeetachtig is en dat hij snel depressief is. Daarnaast heeft appellant ook lichamelijke klachten. Hij kan niet langdurig zitten en krijgt bij beeldschermwerk hoofdpijn. Verder is appellant van mening dat functies met priegelwerk met handgereedschap niet geschikt zijn, gelet op de hoofdpijn en de rugklachten. Ook gebruikte hij medicijnen die bijwerkingen gaven van misselijkheid en duizeligheid. De therapie bij PsyQ was te belastend voor appellant. Hij moest eerst leren omgaan met zijn klachten en zijn leven stabiliseren. Rond de datum in geding speelden deze problemen ook al. Appellant is van mening dat hier onvoldoende rekening mee is gehouden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of appellant op de in geding zijnde datum, 12 april 2016, meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen en of de geselecteerde voorbeeldfuncties voor appellant medisch gezien geschikt zijn.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de met ingang van 23 april 2017 toegenomen arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit een zelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan appellant gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Ter zitting in hoger beroep is van de kant van het Uwv toegelicht dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een door appellant in 2017 doorgemaakt hartinfarct. In verband met dit hartinfarct heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 14 februari 2018 een urenbeperking aangenomen.

4.3.

De hogerberoepsgronden zijn in essentie een herhaling van de gronden die appellant in bezwaar en beroep tegen het bestreden besluit naar voren heeft gebracht. Deze gronden houden in dat de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten. De rechtbank heeft deze medische gronden terecht verworpen. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen. De verzekeringsarts heeft tijdens het spreekuur op 27 januari 2016 geen aanwijzingen gezien voor geheugenproblematiek. Op basis van de psychische en lichamelijke klachten zijn in de FML diverse beperkingen aangenomen. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant op de hoorzitting van 4 juli 2016 gezien. In zijn rapport van 6 juli 2016 heeft deze verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts in ruime mate rekening heeft gehouden met de beperkte mentale belastbaarheid van appellant. Door de aanvullende beperkingen in statische en dynamische belastbaarheid is appellant aangewezen op fysiek en energetisch relatief licht belastende arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de ingebrachte informatie van GZ-psycholoog Wanders van 30 juni 2015 en van psychiater Ramnath van 25 maart 2016 bij zijn conclusie betrokken. In een nader rapport van 26 september 2016 heeft deze verzekeringsarts toegelicht dat appellant is aangewezen op een werksituatie waarin geen veelvuldige storingen en onderbrekingen plaatsvinden en waarin hij niet wordt afgeleid door de activiteiten van anderen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. Ter zitting in hoger beroep heeft appellant gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn nekklachten. Nog daargelaten dat appellant zijn nek-/rugklachten niet eerder ter sprake heeft gebracht, heeft hij met betrekking tot deze klachten geen medische stukken ingebracht. Desgevraagd heeft appellant ter zitting vermeld dat hij voor zijn lichamelijke klachten niet onder behandeling is. Ten slotte heeft appellant gesteld dat hij in verband met zijn hoofdpijnklachten geen beeldscherm- en precisiewerk kan verrichten. Deze klachten zijn door de verzekeringsartsen reeds meegewogen. Er bestaat geen aanleiding de opvatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 6 juli 2016, appellant in staat moet worden geacht om de voor hem geselecteerde functies te vervullen.

4.5.

De overwegingen 4.1 tot en met en 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC