Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
18/5940 PW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1248
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, kosten tandheelkundige behandeling. Geen dwangsom verschuldigd bij gebreke van een ingebrekestelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5940 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 november 2018, 18/332 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

Datum uitspraak: 20 september 2019

Zitting heeft: A. Stehouwer als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: F. Demiroğlu

Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.J. Olthof.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellant ontvangt sinds 16 mei 2017 in de gemeente Heerenveen bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op 19 juli 2017 heeft hij bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van tandheelkundige hulp, inrichtingskosten en de aanschaf van een wasmachine. Bij besluit van 11 september 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 januari 2018 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor de inrichtingskosten en de kosten voor aanschaf van een wasmachine op de grond dat die kosten op het moment van indiening van de aanvraag reeds waren voldaan. Wat betreft de kosten voor de tandheelkundige behandelingen wordt de zorgverzekering van appellant aangemerkt als een voorliggende voorziening. Voor dergelijke kosten wordt evenmin bijzondere bijstand verstrekt. Van een acute noodsituatie, waarbij behandeling niet kan worden uitgesteld, of waarbij kans bestond op blijvend letsel, was ook geen sprake. Bovendien was het gebit van appellant goed onderhouden. Ten slotte is niet gebleken van omstandigheden die tot een bijzondere en onvoorziene hardheid leiden op grond waarvan toch recht op bijzondere bijstand bestaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

Inrichtingskosten

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat de inrichtingskosten noodzakelijk waren, omdat zijn verhuizing niet voorzienbaar was.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat de inrichtingskosten en de kosten voor de aanschaf van een wasmachine vóór de aanvraag om bijzondere bijstand zijn gemaakt en voldaan. Uit artikel 35, eerste lid, van de PW gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de PW vloeit voort dat in beginsel geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien. Wat appellant heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Gelet daarop behoeft wat appellant over de inrichtingskosten heeft aangevoerd geen verdere bespreking.

Kosten tandheelkundige behandelingen

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de kosten voor de tandheelkundige behandelingen onvoorzienbaar en noodzakelijk waren. Als appellant zich niet zou laten behandelen dan bestond de kans op blijvend letsel, waaronder aantasting van gezichtsvermogen en verdere verslechtering van zijn gebit.

4.5.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is daar gemotiveerd op ingegaan. De Zorgverzekeringswet en de op deze wetten gebaseerde regelgeving worden als een voorliggende, toereikende en passende voorziening beschouwd, zodat het bepaalde in

artikel 15, eerste lid, van de PW zich tegen verlening van bijzondere bijstand voor deze kosten verzet. Daaraan doet niet af dat de zorgverzekering slechts een gedeelte daarvan vergoedt. Niet gebleken is dat bij appellant sprake is van een acute noodsituatie waarbij de tandheelkundige behandeling niet kan worden uitgesteld, noch van een kans op blijvend letsel. De enkele en verder niet onderbouwde stelling van appellant dat er kans bestaat op aantasting van zijn gezichtsvermogen of verdere verslechtering van zijn gebit, leidt de rechtbank bij gebrek aan gegevens hierover niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die tot onevenredige en/of onvoorziene gevolgen hebben geleid op grond waarvan ten gunste van appellant dient te worden afgeweken van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2015 van de gemeente Heerenveen.

4.6.

Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 2 weergegeven overwegingen, waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellant ook in hoger beroep niet met stukken heeft onderbouwd dat de kans bestond op aantasting van zijn gezichtsvermogen en verdere verslechtering van zijn gebit.

Dwangsom

4.7.

Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat het college een dwangsom verschuldigd is vanwege weigerachtigheid de Beleidsregels toe te passen.

4.8.

De grondslag voor een dwangsom is gelegen in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens het eerste lid van dit artikel verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing wordt genomen. In de onderhavige zaak is van een ingebrekestelling in vorenbedoelde zin geen sprake, zodat geen aanleiding bestaat aan appellant een dwangsom toe te kennen.

Conclusie

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) F. Demiroğlu (getekend) A. Stehouwer