Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
17-7474 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking op grond van artikel 54, lid 4 PW. Voldaan aan voorwaarden nu appellant de gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd. Aan verklaring onder 'eer' en 'attestation' komt niet dezelfde bewijskracht toe als bankafschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7474 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 1 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 oktober 2017, 16/8306 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.L. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.H. Ligtenberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen, met onderbrekingen, met ingang van 3 maart 2011 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee (KM) van 11 december 2015 dat appellant aangehouden is op verdenking van witwassen, heeft het team fraudebestrijding van de gemeente Tilburg (team fraudebestrijding) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft team fraudebestrijding onder meer dossieronderzoek gedaan en diverse instanties, waaronder de KM, om inlichtingen verzocht. Team fraudebestrijding heeft van de KM documenten overhandigd gekregen waarmee appellant op het vliegveld van Eindhoven is aangetroffen. Vervolgens heeft team fraudebestrijding het Internationaal Bureau Fraude-Informatie (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen. Bij e-mailbericht van 16 maart 2016 heeft IBF een bericht van de attaché voor Sociale Zaken van de ambassade in Marokko doorgestuurd aan team fraudebestrijding, waarin staat dat uit de documenten blijkt dat appellant (mede)eigenaar is van ten minste drie percelen en op 24 juni 2015 over minstens twee bankrekeningen beschikte met een totaalsaldo van ongeveer € 116.000,-. Daarop heeft het college appellanten meermaals verzocht onder meer alle bankafschriften van hun Nederlandse bank- en spaarrekeningen over de periode vanaf 1 mei 2014 over te leggen en alle bankafschriften van hun buitenlandse bank- en spaarrekeningen vanaf datum opening, waaronder de afschriften van de bankrekeningen van appellant bij Banque Populaire eindigend op (...)026 en (...)012 en die van de BMCE-bankrekening eindigend op (...)022. Appellanten hebben de gevraagde bankafschriften niet overgelegd. De bevindingen van het onderzoek van team fraudebestrijding zijn neergelegd in een rapport van 10 mei 2016.

1.3.

Bij besluit van 22 april 2016 heeft het college het recht op bijstand met ingang van die datum opgeschort, omdat appellanten de gevraagde gegevens niet hebben verstrekt en hen verzocht voor 5 mei 2016 alsnog de gevraagde gegevens over te leggen. Tegen dit besluit hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 12 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 september 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten met toepassing van
artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 22 april 2016 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens hebben aangeleverd. Tevens heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 24 juni 2015 tot en met 21 april 2016 met toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door de bij hen opgevraagde bankafschriften niet over te leggen, waardoor het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld.

1.5.

Appellanten hebben in beroep een door de moeder van appellant opgestelde en vertaalde ‘verklaring onder eer’ van 25 mei 2017 (verklaring onder eer) overgelegd, waarin zij verklaart dat appellant sinds het overlijden van zijn vader haar bancaire zaken regelt en dat hij, in opdracht van haar, twee bankrekeningen, (...)012 en (...)026, op zijn naam bij de Banque (Populaire) Chaabi te Nador heeft geopend en daarop het door haar aan hem toevertrouwde geld heeft gestort. Voorts hebben appellanten in beroep een in het Frans opgestelde ‘attestation’ overgelegd, waarin twee medewerkers van de BMCE-bank verklaren dat appellant op 26 februari 2015 een betaling/storting van 91.246 dirham heeft verricht op rekeningnummer (...)022, geopend bij een BMCE-vestiging, en dat deze rekening op naam staat van Societe Immobilier [naam] en dus niet op naam van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven en het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten in beroep. De rechtbank heeft aan de beslissing om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten ten grondslag gelegd dat, voor zover hier van belang, het college de bankafschriften op heeft kunnen vragen. Aan de overgelegde ‘verklaring onder eer’ en de ‘attestation’ komt niet dezelfde bewijskracht toe als aan de bankafschriften, waardoor over de periode vanaf
24 juni 2015 het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe hebben zij aangevoerd dat aan de verklaring onder eer en de attestation dezelfde bewijskracht toekomt als aan de gevraagde bankafschriften.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

de intrekking per 22 april 2016

4.1.

Appellanten hebben tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 22 april 2016 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3.

Blijkens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2596) zijn afschriften van bankrekeningen van de betreffende belanghebbende(n) onmiskenbaar van belang voor het recht op bijstand. Dat geldt ook voor de in 1.2 genoemde bankafschriften.

4.4.

Vaststaat dat appellanten niet (volledig) de door het college bij het opschortingsbesluit verlangde bankafschriften binnen de daartoe gestelde hersteltermijn hebben verstrekt. Eveneens staat vast dat het college er in dat besluit uitdrukkelijk op heeft gewezen dat dit verzuim zal kunnen leiden tot beëindiging van de bijstand. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het niet volledig overleggen van de gevraagde gegevens hen niet kan worden verweten, temeer nu blijkens de in beroep overgelegde ‘verklaring onder eer’ de rekeningen eindigend op (...)012 en (...)026 bij Banque Populaire op naam van appellant staan.

4.5.

Nog daargelaten dat dit niet de gevraagde gegevens zijn, hebben appellanten eerst in beroep de verklaring onder eer en attestation overgelegd. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1404) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaar- of beroepsfase alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien betrokkenen aannemelijk maken dat het gaat om gegevens of stukken die zij redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn hebben kunnen verstrekken. Appellanten zijn hier niet in geslaagd.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54,
vierde lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellanten met ingang van 22 april 2016 in te trekken. Wat appellanten hebben aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de intrekking per 22 april 2016, terecht in stand gelaten.

de intrekking over de periode van 24 juni 2015 tot en met 21 april 2016

4.7.

Aan de intrekking over de periode van 24 juni 2015 tot en met 21 april 2016 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden omdat zij de gevraagde bankafschriften van hun Nederlandse en buitenlandse betaal- en spaarrekeningen over deze periode niet hebben overgelegd. Hierdoor is over deze periode het recht op bijstand niet vast te stellen.

4.8.

Anders dan appellanten hebben aangevoerd hebben zij met de in beroep overgelegde ‘verklaring onder eer’ en ‘attestation’ niet alsnog aan de inlichtingenverplichting voldaan en kan het recht op bijstand daarmee niet worden vastgesteld. De verklaring onder eer biedt onvoldoende informatie om het recht op bijstand van appellanten te kunnen beoordelen, reeds nu daarmee niet alle mutaties die op bankrekeningen van Banque Populaire hebben plaatsgevonden, zichtbaar zijn. Daaruit blijkt evenmin of en in hoeverre appellant gelden op die rekeningen, die op zijn naam staan, ten behoeve van zichzelf heeft aangewend. De rechtbank heeft dus op goede gronden overwogen dat hier niet dezelfde bewijskracht aan toekomt als aan de gevraagde bankafschriften en terecht ook de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de periode van 24 juni 2015 tot en met 21 april 2016, in stand gelaten.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, moet worden bevestigd..

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2019.

(getekend). J.L. Boxum

(getekend) L. Hagendijk