Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
18-237 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen nieuwe feiten aangevoerd die kunnen strekken tot herziening van een besluit waarbij bedrag in mindering is gebracht op de bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 237 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 1 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 december 2017, 17/1805 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Peper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door K. Verkuijlen en C.A. van Lonkhuizen-Creutzburg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 4 juni 2012 (aanvullend) bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Appellante heeft een relatie met [naam X] (X). Uit deze relatie is [in] 2015 een zoon geboren. X ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG).

1.3.

Bij ambtshalve genomen besluit van 31 maart 2015 heeft het college per 6 maart 2015 een bedrag van € 100,00 per maand op de bijstand in mindering gebracht. Dat besluit is als volgt toegelicht. “U heeft tijdens een telefoongesprek aangegeven een bedrag te ontvangen aan onderhoudsbijdrage voor uw kind (…). U heeft aangegeven dat de onderhoudsbijdrage door u beiden is bepaald op € 100,- per maand. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de PW-uitkering (…)”. Bij besluit van 23 juli 2015 heeft het college het door appellante op 15 mei 2015 verzonden bezwaarschrift tegen het besluit van 31 maart 2015 niet‑ontvankelijk verklaard.

1.4.

Bij besluit van 1 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 november 2016, heeft het college de bijstand over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 mei 2016 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd. Bij uitspraak van heden (zaaknummer 17/6805 PW) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 september 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:3469) waarin de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 november 2016 ongegrond heeft verklaard, bevestigd.

1.5.

Appellante ontving van 12 augustus 2016 tot 1 januari 2017 weer bijstand op grond van de PW naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.6.

Bij besluit van 1 november 2016 heeft het college, voor zover van belang, met ingang van 12 augustus 2016 een bedrag van € 101,30 (na indexatie) per maand als onderhoudsbijdrage op de bijstand in mindering wordt gebracht. Dit bedrag is gebaseerd op de € 100,00 die tussen 6 maart 2015 en 1 januari 2016 op de bijstand in mindering werd gebracht.

1.7.

Bij besluit van 17 februari 2017 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 november 2016 gegrond verklaard en het vanaf 12 augustus 2016 op de bijstand in mindering te brengen bedrag verlaagd naar € 18,99 per maand.

1.8.

Bij brief van 1 maart 2017 heeft appellante het college verzocht om ook over de periode vanaf 6 maart 2015 het op de bijstand in mindering te brengen bedrag te verlagen tot € 18,99 en de ten onrechte ingehouden bedragen nog aan haar te voldoen.

1.9.

Bij besluit van 13 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 juli 2017 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante met haar brief van 1 maart 2015 heeft verzocht terug te komen van het besluit van 31 maart 2015, maar dat appellante bij het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, zodat het verzoek wordt afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 31 maart 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2.

Het verzoek van appellante van 1 maart 2017 strekt ertoe dat het college terugkomt van zijn ambtshalve genomen besluit van 31 maart 2015. Het college heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat zij nimmer gelden heeft ontvangen van X en ter onderbouwing van deze stelling een alimentatieberekening en bankafschriften overgelegd. Reeds nu dit volgens appellante een bestaande, onveranderde situatie is, is dit geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld onder 4.3.

4.5.

Appellante heeft voorts gewezen op het onder 1.7 vermelde besluit en aangevoerd dat zij van X in de periode van 6 maart 2015 tot 1 januari 2016 (en daarna) enkel een bijdrage in natura ter waarde van ongeveer € 18,99 per maand ontving. Ook dit betreft geen nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld onder 4.3 nu ook dit een bestaande, onveranderde situatie is en ook al in een bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2015 had kunnen worden aangevoerd.

4.6.

Appellante heeft tot slot aangevoerd dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de onderhoudsbijdrage van X. Dit betreft evenmin een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld onder 4.3. Dit is ook een grond die appellante tijdig naar voren had kunnen brengen tegen het besluit van 31 maart 2015.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. In wat appellante heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Het college mocht het verzoek van appellante van 1 maart 2017 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 31 maart 2015.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) L. Hagendijk