Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3121

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
18/5915 PW-PV
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1250
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten omdat verhuizing voorzienbaar was. Rechtbank heeft het verzoek om dwangsom niet besproken maar de beoordeling van deze grond leidt niet tot een ander resultaat. Geen aanleiding voor vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5915 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2018, 18/992 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

Datum uitspraak: 20 september 2019

Zitting heeft: A.S. Stehouwer

Griffier: F. Demiro─člu

Appellant is niet ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Olthof.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellant ontvangt sinds 16 mei 2017 in de gemeente Heerenveen bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Voordien ontving appellant al langere tijd bijstand in de gemeente [gemeente]. Op 12 september 2017 heeft hij bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtingskosten (laminaatvloer, gordijnen, verlichting) alsook de kosten voor tandheelkundige behandelingen. Bij besluit van 16 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 maart 2018 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 35 Participatiewet (PW) en de Beleidsregels bijzondere bijstand 2015 van de gemeente Heerenveen (Beleidsregels). Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellant wist dat hij ging verhuizen naar Heerenveen. Daarnaast heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak bestond tot het hebben van een laminaatvloer in de twee kamers (studeer-/werkkamer en logeerkamer). In het kader van de tandheelkundige behandelingen heeft appellant te kennen gegeven dat zijn gebit altijd goed is onderhouden, zodat er geen acute noodsituatie bestond, waarbij een behandeling niet kan worden uitgesteld. Ten slotte is niet gebleken van omstandigheden die tot een bijzondere en onvoorziene hardheid leiden op grond waarvan toch recht op bijzondere bijstand bestaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Inrichtingskosten (laminaat, verlichting en gordijnen)

4.1.

Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat in zijn situatie sprake was van een onvoorziene verhuizing, omdat hij om veiligheidsredenen is verhuisd naar de gemeente Heerenveen. Appellant kon voor deze kosten niet reserveren omdat hij geen aflossingscapaciteit had. Appellant heeft verder aangevoerd dat, anders dan het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, de kosten voor het laminaat betrekking hadden op de woon- en slaapkamer.

4.2.

In het geval van appellant vloeien de kosten niet voort uit bijzondere omstandigheden. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat appellant ten tijde van de verhuizing al tien jaar als woningzoekende geregistreerd stond en was ingeschreven bij een drietal woningbouwverenigingen. Gelet daarop lag een verhuizing en de daarmee gepaard gaande inrichtingskosten al geruime tijd in de lijn der verwachtingen. Dat, zoals appellant heeft aangevoerd, hij om veiligheidsredenen plotseling moest verhuizen, heeft hij niet nader onderbouwd. Verder ontvangt appellant al geruime tijd bijstand, zodat hij gelet daarop de mogelijkheid heeft gehad voor de inrichtingskosten te reserveren. De rechtbank heeft in dit verband terecht geoordeeld dat de stelling van appellant dat hij niet over voldoende aflossingscapaciteit beschikt hem niet kan baten, omdat het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. Bovendien is niet gebleken dat de kosten van de verhuizing niet konden worden bestreden uit gespreide betaling achteraf. Appellant had daarom niet op grond van artikel 35 van de PW recht op bijzondere bijstand voor de inrichtingskosten. Dat het college volgens appellant ten onrechte is uitgegaan van kosten van laminaat voor de studeer-/werkkamer en logeerkamer behoeft - gelet op het voorgaande - geen bespreking.

4.3.

Ingevolge artikel 43, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels kan het college in bijzondere omstandigheden en in een individueel geval bijzondere bijstand voor woonkosten verstrekken indien de belanghebbende geconfronteerd wordt met een onvoorzienbare verhuizing.

4.4.

Nu de verhuizing al geruime tijd in de lijn der verwachtingen lag, was evenmin sprake van een onvoorziene verhuizing als bedoeld in artikel 43, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels, zodat appellant ook aan dit beleid geen recht op bijzondere bijstand kon ontlenen.

Tandheelkundige behandelingen

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat de kosten voor de tandheelkundige behandelingen voortkwamen uit een acute noodsituatie en de kosten om die reden onvoorzienbaar waren.

4.6.

De Raad constateert dat appellant in hoger beroep niet met stukken heeft onderbouwd dat sprake was van een acute noodzakelijke tandheelkundige behandeling.

Dwangsom

4.7.

Het betoog van appellant dat hij in beroep heeft verzocht om een dwangsom en de rechtbank daarover ten onrechte geen oordeel heeft gegeven, slaagt. De rechtbank heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad zal deze beroepsgrond daarom alsnog bespreken.

4.8.

De grondslag voor een dwangsom is gelegen in artikel 4:17 van Awb. Volgens het eerste lid van dit artikel verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing wordt genomen. In de onderhavige zaak is van een ingebrekestelling in vorenbedoelde zin geen sprake, zodat geen aanleiding bestaat aan appellant een dwangsom toe te kennen.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat indien de rechtbank deze beroepsgrond wel zou hebben besproken, dit niet tot toekenning van een dwangsom en daarmee gegrondverklaring van het beroep had geleid. Er bestaat daarom geen aanleiding de aangevallen uitspraak op die grond te vernietigen.

Conclusie

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - gelet op 4.7 tot en met 4.9 met verbetering van gronden - moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) F. Demiro─člu (getekend) A.S. Stehouwer