Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
17/8084 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:8982, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College was bevoegd de bijstand met toepassing van artikel 54, eerste en vierde lid, PW, op te schorten en in te trekken. Bankgegevens niet (tijdig) verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8084 PW-PV, 17/8086 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2017, 17/2272 en 17/2274 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)

Datum uitspraak: 24 september 2019

Zitting heeft: mr. P.W. van Straalen, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: J.B. Beerens

Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Blok.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellante ontving sinds 1 februari 2016 bijstand met haar toenmalige echtgenoot (M) naar de norm voor gehuwden.

Het college heeft de bijstand opgeschort en vervolgens ingetrokken omdat appellante – voor zover hier van belang - tot tweemaal toe de door het college gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd.

Het college heeft het bezwaarschrift van appellante van 16 december 2016, gericht tegen het opschortingsbesluit van 16 juni 2016, niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

Appellante voert in hoger beroep aan dat zij tijdig in bezwaar is gekomen. Dat is het geval omdat een door M op 6 juli 2016 ingediend bezwaarschrift mede door appellante moet worden geacht te zijn ingediend.

Deze grond slaagt niet. Dat is al het geval omdat de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit het bezwaarschrift van M niet blijkt dat dit mede namens appellante is ingediend. De enkele omstandigheid dat appellante en M beiden belanghebbenden waren bij het besluit tot opschorting, omdat zij bijstand naar de norm voor gehuwden ontvingen, houdt – anders dan appellante stelt – niet in dat het bezwaar van M tevens moet worden geacht te zijn ingediend namens appellante. Dit betekent dat de opschorting standhoudt.

Wat de intrekking betreft staat vervolgens alleen ter beoordeling of appellante verzuimd heeft binnen de daartoe in het opschortingsbesluit gestelde termijn de gevraagde bankafschriften te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appelante hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

Niet in geschil is dat appellante niet tijdig het verzuim heeft hersteld. Zij heeft de gevraagde bankafschriften niet binnen de in het opschortingsbesluit genoemde termijn verstrekt. Niet in geschil is dat die bankafschriften van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Ook niet in geschil is dat appellante over de bankafschriften kon beschikken. Appellante heeft gewezen op haar persoonlijke omstandigheden. Zij had een problematische relatie met M en is door allerlei omstandigheden in een depressie geraakt. Deze omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat appellante geen verwijt kon worden gemaakt van het niet tijdig inleveren van de bankafschriften. Dat is alleen al het geval omdat appellante dit niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

Het college was gelet op het voorgaande bevoegd de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet in te trekken. De genoemde persoonlijke omstandigheden kunnen, alleen al omdat appellante die niet heeft onderbouwd, ook niet leiden tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.

Dit betekent dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen.

De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) J.B. Beerens (getekend) P.W. van Straalen