Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
18/2097 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering IOAW in verband met abusievelijk niet in aanmerking genomen pensioeninkomsten. Beleid ten aanzien van zesmaandenjurisprudentie is niet van toepassing omdat er geen concreet signaal over de onjuiste uitkering door het college is ontvangen van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2019/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2097 NIOAW

Datum uitspraak: 24 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 maart 2018, 17/2953 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leusden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Visscher, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E. Ceylan-Alpaslan, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.C. McArthur-Neering.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 12 november 2011 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de grondslag voor een alleenstaande. Appellante ontving daarnaast een nabestaandenpensioen (pensioeninkomsten) dat voor het bepalen van de hoogte van de uitkering als inkomen werd betrokken. Vanaf september 2013 ontving appellante tevens inkomsten uit arbeid, die het college in de maanden december 2013 en januari 2014 als inkomen heeft betrokken. Daarbij heeft het college abusievelijk vanaf december 2013 verzuimd ook het nabestaandenpensioen te betrekken, waardoor appellante van december 2013 tot en met juli 2016 maandelijks een te hoog bedrag aan IOAW-uitkering heeft ontvangen.

1.2.

Bij besluit van 19 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2017 (bestreden besluit), heeft het college op grond van artikel 25, tweede lid, van de IOAW de over de periode van 1 december 2013 tot en met 31 juli 2016 (periode in geding) te veel betaalde uitkering tot een bedrag van netto € 12.402,64 van appellante teruggevorderd. Het college heeft zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het toepassen van de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 25, tweede lid, van de IOAW is bepaald dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17, derde of vierde lid, of artikel 20, anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede wat anderszins onverschuldigd is betaald, van de belanghebbende kan worden teruggevorderd.

4.2.

Het college heeft de beleidsregels met betrekking tot de uitoefening van de in 4.1 genoemde terugvorderingsbevoegdheid uitgewerkt in de ten tijde van belang geldende Beleidsrichtlijnen Terug- en invordering en Verhaal Gemeente Leusden 2011 (Beleidsrichtlijnen). De Raad stelt vast dat het college in het bestreden besluit andere beleidsregels heeft toegepast dan de Beleidsrichtlijnen. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een ontoereikende motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet hierin echter geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Het gebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden door het gebrek in de motivering van het bestreden besluit niet zijn benadeeld. Immers, ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met dezelfde rechtsgevolgen zijn genomen, dan wel zou het gebrek op die wijze kunnen worden hersteld. Dit oordeel berust op het volgende.

4.3.

Uit paragraaf 1.1 van de Beleidsrichtlijnen volgt dat het college gebruik maakt van de in artikel 25 van de IOAW toegekende bevoegdheid tot terugvordering van ten onrechte verleende uitkering. Uit paragraaf 1.3 volgt verder dat te veel betaalde uitkering wordt teruggevorderd. In paragraaf 2.1 is verder ten aanzien van de terugvordering het volgende beleid opgenomen:

“(…)

  • -

    Terugvordering van bijstand vindt plaats binnen 6 maanden vanaf het moment dat wij beschikken over relevante informatie van de uitkeringsgerechtigde situatie waaruit concreet kan worden afgeleid dat er sprake is van een situatie waarin sprake is van teveel betaalde bijstand

  • -

    Als niet binnen 6 maanden vanaf voornoemd moment is teruggevorderd, vindt terugvordering niet meer plaats, tenzij er sprake is van vorderingen die ontstaan zijn door schending van de inlichtingenplicht of het niet nakomen van gestelde verplichtingen en vorderingen die voortkomen uit het achteraf verkrijgen van middelen.

(…)”

4.4.

Het college heeft ter zitting het in 4.3 vermelde beleid nader toegelicht. De Raad begrijpt uit deze toelichting dat voor toepassing van het in paragraaf 2.1 neergelegde zesmaandenbeleid sprake moet zijn van een concreet signaal, dat zowel afkomstig kan zijn van betrokkene zelf als uit andere bron, bijvoorbeeld vanuit de interne organisatie.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat de herberekening van de IOAW-uitkering na het stoppen van de inkomsten uit arbeid van appellante in februari 2014 een intern signaal voor het college had moeten zijn, waaruit had moeten worden opgemaakt dat de pensioeninkomsten abusievelijk niet meer werden betrokken bij het berekenen van de hoogte van de uitkering. Ter zitting heeft appellante voorts aangevoerd dat ook in 2015 een toets moment heeft plaatsgevonden, waarin het college aanleiding had moeten zien nader onderzoek te doen.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen valt niet in te zien waarom het wegvallen van de inkomsten uit arbeid in februari 2014 voor het college een concreet signaal is dat al eerder abusievelijk de pensioeninkomsten niet langer werden betrokken. Evenmin bestond op dat moment aanleiding voor het college om nader onderzoek te doen naar de inkomenssituatie van appellante. Ook bij het toets moment in 2015 bestond een dergelijke aanleiding niet. Uit de zich onder de gedingstukken bevindende tussentijdse rapportage van 4 december 2015 blijkt dat deze toets betrekking had op het re-integratietraject waaraan appellante deelnam en niet op de inkomenssituatie van appellante.

4.7.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij ook zelf in 2014 een signaal heeft afgegeven in een telefonisch contact dat zij in 2014 met het college had. Appellante heeft voorts ter zitting gesteld dat zij in de zomer van 2014 een gesprek heeft gehad met de inkomensconsulente waarbij zij ook haar inkomensgegevens heeft overgelegd.

4.8.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Uit de gedingstukken blijkt dat op 2 juli 2014 telefonisch contact is geweest tussen appellante en de inkomensconsulente in verband met een ongeluk waarbij appellante haar schouder had gebroken. In verband daarmee is het re-integratietraject van appellante tijdelijk stopgezet. Verder blijkt uit de gedingstukken dat op

8 oktober 2014 een gesprek tussen appellante en de inkomensconsulente heeft plaatsgevonden. Ook dit gesprek had betrekking op het re-integratietraject. Niet is gebleken dat deze gesprekken betrekking hadden op de inkomenssituatie van appellante, dan wel dat voor het college aanleiding bestond daarnaar onderzoek in te stellen. Van een concreet signaal van de zijde van appellante is dus niet gebleken.

4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat niet is gebleken dat vóór 31 juli 2016 bij het college een concreet signaal was binnengekomen waaruit het college had kunnen afleiden dat sprake was van een fout op grond waarvan actie ondernomen had moeten worden. Voor toepassing van het in paragraaf 2.1 van de Beleidsrichtlijnen neergelegde zesmaandenbeleid bestond dan ook geen aanleiding.

4.10.

Appellante heeft voorts een beroep gedaan op artikel 4:84 van de Awb. Appellante heeft aangevoerd dat sprake was van meerdere fouten van de kant van het college en van zwaarwegende problematiek van haar kant. Appellante gaat zeer gebukt onder de terugvordering en weet niet hoe zij die ooit moet terugbetalen.

4.11.

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is geen sprake. Het college heeft ter zitting meegedeeld dat de invordering van de terugvordering is opgeschort omdat appellante wordt beschermd door de beslagvrije voet. Zolang het inkomen van appellante hier onder blijft, zal niet worden ingevorderd.

4.12.

Uit 4.9 en 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, gelet op 4.2 met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet in het met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerde motiveringsgebrek aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep, in totaal € 2.048,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2019.

(getekend) W.H. Bel

De griffier is verhinderd te ondertekenen.