Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
18/1029 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene was in de periode van februari 2016 tot en met augustus 2016 voor haar recht op studiefinanciering niet aan te merken als een uitwonende studerende. De minister voert (niet gepubliceerd) beleid bij de toepassing van de hardheidsclausule. Het beleid is inhoudelijk bezien niet onredelijk maar de in het beleid gestelde formele voorwaarde, inhoudende dat de studerende lopende het betreffende studiejaar een op de bijzondere situatie toegespitste en onderbouwde aanvraag om een uitwonendenbeurs moet hebben gedaan, kan de aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing niet doorstaan. Betrokkene heeft in bezwaar het bewijs geleverd van haar stage in buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/487
NJB 2019/2200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 februari 2018, 17/1797 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[Betrokkene] te [woonplaats])

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.M.G. Jurkiewicz een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2019. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Jurkiewicz.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft bij besluit van 6 juli 2013 aan betrokkene vanaf 1 oktober 2013 voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een thuiswonende studerende. De toekenning is voor 2014, 2015 en 2016 gecontinueerd bij besluiten van 10 december 2013, 6 december 2014 en 7 december 2015.

1.2.

Naar aanleiding van een op 18 januari 2016 door betrokkene doorgegeven wijziging in de woonsituatie is aan haar bij besluit van 22 januari 2016 met ingang van 1 februari 2016 studiefinanciering toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.3.

Naar aanleiding van een op 13 augustus 2016 door betrokkene doorgegeven wijziging in de woonsituatie is aan haar bij besluit van 19 augustus 2016 met ingang van 1 september 2016 studiefinanciering toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een thuiswonende studerende.

1.4.

Bij besluit van 24 maart 2017 heeft de minister betrokkene vanaf 1 februari 2016 als thuiswonende studerende aangemerkt en, als gevolg daarvan, de hoogte van de toegekende studiefinanciering over de maanden februari 2016 tot en met augustus 2016 aangepast. Een bedrag van € 1.447,60 is daarbij van betrokkene teruggevorderd.

1.5.

Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 maart 2017. Zij heeft, onder overlegging van diverse bewijsstukken, te kennen gegeven dat zij in de maanden februari 2016 tot en met augustus 2016 in Gent, België, heeft verbleven voor het volgen van een stage, welke onderdeel uitmaakt van de opleiding waarvoor zij in Nederland is ingeschreven. Voor die periode heeft zij een uitwonendenbeurs aangevraagd door middel van het wijzigen van haar woonsituatie van thuiswonend naar uitwonend, zoals haar door een medewerker van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) desgevraagd telefonisch was geadviseerd.

1.6.

Bij besluit van 12 juli 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 maart 2017 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat bij een adrescontrole is gebleken dat betrokkene in de periode van 1 februari 2016 tot en met 31 augustus 2016 in de basisregistratie personen (brp) stond ingeschreven onder hetzelfde adres als haar ouders. Dit betekent dat betrokkene volgens de wet in die periode geen recht op een uitwonendenbeurs heeft. Op grond van door de minister gevoerd beleid kan, in afwijking van de wet, aan de studerende die tijdelijk vanwege zijn studie in het buitenland verblijft en in Nederland onder het adres van de ouder(s) is ingeschreven, een uitwonendenbeurs worden toegekend mits de studerende DUO tijdig − in het geval van betrokkene uiterlijk op 31 augustus 2016 − van deze situatie op de hoogte brengt. Nu betrokkene DUO niet tijdig op de hoogte heeft gesteld van het verblijf in het buitenland vanwege haar studie, is aan haar ten onrechte een uitwonendenbeurs toegekend over de periode februari 2016 tot en met augustus 2016.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 24 maart 2017 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daartoe is het volgende overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene en haar ouders in de in geding zijnde periode onder hetzelfde adres in de brp stonden ingeschreven, dat betrokkene in deze periode vanwege een stage in Gent, België, woonde en dat zij zich daar vanwege het korte verblijf voor studiedoeleinden niet kon inschrijven in de plaatselijke basisregistratie. Gegeven deze omstandigheden biedt de tekst van de artikelen 1.1, eerste lid, en artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 geen ruimte om tot een ander oordeel te komen dan dat betrokkene in de in geding zijnde periode moet worden aangemerkt als een thuiswonende studerende. Voor situaties als die van betrokkene kan op grond van door de minister gevoerd beleid toch een uitwonendenbeurs worden toegekend indien de studerende tijdig, bij voorkeur met het formulier ‘Aanvraag Ov-vergoeding buitenland en/of uitwonendenbeurs’, een op zijn situatie toegespitste aanvraag voor een uitwonendenbeurs heeft ingediend. Deze uitvoeringspraktijk wordt door de rechtbank aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend. De rechtbank is van oordeel dat, nu niet is komen vast te staan welke informatie ten tijde van belang beschikbaar was over deze uitvoeringspraktijk, het voor betrokkene onvoldoende kenbaar was wat zij had moeten doen om aanspraak te kunnen maken op een uitwonendenbeurs. Nu betrokkene via ‘Mijn DUO’ een uitwonendenbeurs heeft aangevraagd en zij met de door haar overgelegde stukken in bezwaar het bewijs heeft geleverd dat zij gedurende de periode in geding feitelijk in België en niet op het adres van haar ouders woonde, is de rechtbank van oordeel dat de minister met de herziening en terugvordering niet op een redelijke wijze toepassing heeft gegeven aan zijn uitvoeringspraktijk.

3.1.

De minister heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft naar voren gebracht dat gelet op de beschikbare informatie − op de website van DUO en het formulier ‘Aanvraag Ov-vergoeding buitenland en/of uitwonendenbeurs’ − het voor betrokkene voldoende kenbaar was welke aanvraag zij had moeten indienen om in haar situatie, in afwijking van de wet, aanspraak te kunnen maken op een uitwonendenbeurs. Nu betrokkene niet de juiste aanvraag heeft ingediend is op goede grond tot herziening en terugvordering besloten. Niet is gebleken van een situatie op grond waarvan de minister geen of een beperkt gebruik had moeten maken van zijn herzieningsbevoegdheid.

3.2.

Betrokkene heeft in verweer naar voren gebracht dat zij terecht studiefinanciering naar de norm van een uitwonende studerende heeft ontvangen. Het kan betrokkene niet worden tegengeworpen dat zij niet het juiste formulier heeft ingediend. Nu zij afdoende heeft aangetoond dat zij tijdelijk vanwege een stage in het buitenland verbleef als onderdeel van haar Nederlandse opleiding, heeft zij, onder toepassing van de hardheidsclausule, recht op een uitwonendenbeurs.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 − zoals deze bepaling op grond van

artikel 12.14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 ten tijde hier van belang voor betrokkene geldt − wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 loopt een studiejaar in het hoger onderwijs van 1 september in een kalenderjaar tot en met 31 augustus in het daaropvolgende kalenderjaar.

4.1.3.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 − zoals deze bepaling op grond van artikel 12.14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 ten tijde hier van belang voor betrokkene geldt − komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.

4.1.4.

Ingevolge artikel 3.21, derde lid, van de Wsf 2000 wordt studiefinanciering of de verhoging daarvan niet toegekend voor een periode gelegen voorafgaand aan het studiejaar waarin de aanvraag is ingediend.

4.1.5.

Ingevolge artikel 7.1, eerste lid, van de Wsf 2000 in verbinding met artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

4.1.6.

In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan de minister de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.

In geschil is de herziening van de studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende over de periode van februari 2016 tot en met augustus 2016 en de daaruit voortvloeiende terugvordering. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene gedurende deze periode in de brp stond ingeschreven onder hetzelfde adres als haar ouders. Betrokkene heeft in die periode dan ook niet voldaan aan de verplichtingen om in aanmerking te komen voor studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende, zoals door de wetgever is bepaald in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Daarom is zij in die periode voor haar recht op studiefinanciering niet aan te merken als een uitwonende studerende.

4.3.

Uit de wetsgeschiedenis bij de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van de Wsf 2000 in verband met het treffen van diverse maatregelen ter bestrijding van het ten onrechte ontvangen van de uitwonendenbeurs (Stb. 2011, 579) volgt dat onder ogen is gezien dat er zich gevallen kunnen voordoen waarin het door de studerende niet voldoen aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 niet verwijtbaar is en het in die gevallen de bedoeling van de wetgever is dat wel een aanspraak op een uitwonendenbeurs bestaat (Kamerstukken II 2010/11, 32 770, nr. 3, blz. 5, 6 en 19; nr. 4, blz. 7 en nr. 6, blz. 3 en 6). Dit leidt tot de conclusie dat in daarvoor in aanmerking komende gevallen waarin moet worden geoordeeld dat verwijtbaarheid ten aanzien van het niet nakomen van (één van) de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 ontbreekt, onverkorte toepassing van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Het ligt in die situaties dan op de weg van de minister om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 en daarmee van herziening af te zien. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 21 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1890.

4.4.

Uit het verhandelde ter zitting van de Raad en de gedingstukken, bezien in onderling verband, is gebleken dat de minister bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om onder toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 (niet gepubliceerd) beleid voert. Dit beleid houdt in dat de studerende die tijdelijk (gedurende maximaal acht maanden) in het buitenland verblijft voor een onderdeel van een Nederlandse opleiding (bijvoorbeeld een stage) en in die periode in de brp onder het adres van (één van) zijn ouder(s) ingeschreven staat, voor die periode op aanvraag een uitwonendenbeurs wordt toegekend onder de voorwaarde dat de studerende de minister tijdig, dat wil zeggen binnen het studiejaar waar de toekenning van de uitwonendenbeurs betrekking op heeft, op de hoogte stelt van deze bijzondere situatie en daarvan bewijs levert. Een dergelijke aanvraag kan in beginsel vormvrij worden gedaan, maar bij voorkeur dient deze te worden gedaan met het formulier ‘Aanvraag Ov-vergoeding buitenland en/of uitwonendenbeurs’ dan wel online met de applicatie ‘Aanvragen Ov-vergoeding buitenland’. De voorwaarde dat de, met bewijsstukken onderbouwde, op de bijzondere situatie toegespitste aanvraag tijdens het betreffende studiejaar moet zijn gedaan is gesteld in aansluiting bij het bepaalde in
artikel 3.21, derde lid, van de Wsf 2000. Uit dit beleid volgt dat een enkele, tijdige, aanvraag om een uitwonendenbeurs waarbij eerst na afloop van het studiejaar melding wordt gedaan, en bewijs wordt geleverd van de bijzondere situatie, de minister geen aanleiding geeft tot toepassing van de hardheidsclausule.

4.5.

De situatie van tijdelijk verblijf in het buitenland wegens het volgen van een aantal vakken wordt in de onder 4.3 aangehaalde wetsgeschiedenis expliciet genoemd als een geval waarin het niet nakomen van de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 niet verwijtbaar is. Gelet op de bedoeling van de wetgever is het door de minister
gevoerde − op artikel 11.5 van de Wsf 2000 gebaseerde − beleid inhoudelijk bezien niet onredelijk en kan dat de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan.

4.6.

De in het beleid gestelde formele voorwaarde, inhoudende dat de studerende lopende het betreffende studiejaar een op de bijzondere situatie toegespitste en onderbouwde aanvraag om een uitwonendenbeurs moet hebben gedaan, kan daarentegen de aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing niet doorstaan. Uit de in 4.3 aangehaalde wetsgeschiedenis wordt afgeleid dat de wetgever de feitelijke situatie bepalend acht. Is deze van dien aard dat het niet voldoen aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 niet verwijtbaar te achten is, dan bestaat aanspraak op een uitwonendenbeurs met toepassing van de hardheidsclausule. Het stellen van een termijn waarbinnen van de bijzondere situatie, onder overlegging van bewijs, melding moet zijn gemaakt als voorwaarde voor toepassing van de hardheidsclausule vindt geen steun in de wetsgeschiedenis. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2010/11, 32 770, nr. 3, blz. 5 en 6) volgt dat ook achteraf bewijs kan worden geleverd van een situatie waarin het niet nakomen van de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 niet verwijtbaar wordt geacht met als gevolg dat in een dergelijke situatie van herziening en terugvordering dient te worden afgezien. De minister heeft ter zitting ook niet duidelijk kunnen maken welk redelijk doel gemoeid is met het stellen van deze formele voorwaarde.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene in bezwaar het bewijs heeft geleverd dat zij in verband met een stage voor haar Nederlandse opleiding van februari 2016 tot en met augustus 2016 in Gent, België, heeft verbleven. Nu betrokkene voorts tijdig een uitwonendenbeurs over die periode heeft aangevraagd is, gelet op wat is overwogen in 4.5 en 4.6, de toekenning van een uitwonendenbeurs over die periode rechtmatig geweest. Dit betekent dat de toekenning niet is gebaseerd op onjuiste gegevens zodat de bevoegdheid tot herziening op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 in de aan de orde zijnde periode ontbreekt.

4.8.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt en de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd is er aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-;

  • -

    bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 508,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

lh