Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
17/7456 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft de kinderbijslag terecht geweigerd. Appellant was niet meer verzekerd voor de AKW omdat appellant niet meer voldeed aan de voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7456 AKW

Datum uitspraak: 26 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 oktober 2017, 17/2225 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum 1] 1965, woont in Marokko en ontvangt sinds 1993 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hij heeft voor de kinderen [A] (geboren in 1986), [B] (geboren op [geboortedatum 2] 1988), [C] (geboren op [geboortedatum 3] 1990), [D] (geboren op [geboortedatum 4] 1991), [E] (geboren op [geboortedatum 5] 1992), [F] (geboren op [geboortedatum 11] 1993), [G] (geboren op [geboortedatum 7] 1994), [H] en [I] (beiden geboren op [geboortedatum 8] 1995), [J] (geboren op [geboortedatum 9] 1996) en [K] (geboren op [geboortedatum 10] 1997) kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen.

1.2.

Na onderzoek door en namens de Svb in 2006 en 2008 heeft de Svb bij besluit van

12 juni 2008 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 2006 geen kinderbijslag meer krijgt omdat het recht op kinderbijslag niet is vast te stellen.

1.3.

Appellant heeft op 10 oktober 2011 kinderbijslag aangevraagd voor de onder 1.1 genoemde kinderen en voor [L] (geboren in 1998). Bij besluit van 29 mei 2012 heeft de Svb de aanvraag met ingang van het vierde kwartaal van 2010 afgewezen omdat appellant niet (meer) verzekerd is voor de AKW. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 mei 2012 is bij beslissing op bezwaar van 26 juli 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 november 2013 het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Appellant heeft op 26 september 2014 en op 25 november 2016 aanvragen om kinderbijslag ingediend. Bij besluit van 2 december 2016 heeft de Svb de aanvragen met ingang van het vierde kwartaal van 2013 afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat appellant een kind had voor wie hij voor 31 december 1999 recht had op kinderbijslag en die nog geen 18 jaar is. Hierdoor is niet komen vast te staan dat appellant voldoet aan het overgangsrecht om verzekerd te blijven voor de AKW.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 9 maart 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 december 2016 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant eerder kinderbijslag heeft aangevraagd en dat dit is afgewezen omdat appellant niet onder de overgangsregeling viel en dus niet verzekerd is. Hiernaar zijn eerder onderzoeken uitgevoerd en zijn bezwaarprocedures gevoerd. Appellant voldoet ook over de periode van het vierde kwartaal van 2013 tot en met het vierde kwartaal van 2016 niet aan de voorwaarden. Voorts is geen sprake van een bijzonder geval of hardheid.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat alle kinderen voor wie appellant in het verleden kinderbijslag heeft ontvangen inmiddels ruim ouder zijn dan 18 jaar. De Svb heeft bij eerdere besluiten vastgesteld dat appellant voor deze kinderen geen recht (meer) had op kinderbijslag omdat de Svb niet kon vaststellen of appellant een kind had dat nog geen 18 jaar is en voor wie appellant voor 31 december 1999 recht had op kinderbijslag. Appellant heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat die conclusie van de Svb onjuist is. Voor appellants jongste zoon Abderrazzak die in 1998 is geboren bestaat evenmin recht op kinderbijslag omdat deze in het verleden niet is toegekend of aangevraagd.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de Svb het recht op kinderbijslag voor zijn kinderen niet had mogen weigeren omdat appellant verzekerd is voor de AKW. Appellant ontvangt een WAO-uitkering en woont samen met zijn kinderen in Marokko.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank wordt volledig onderschreven. Per 1 januari 2006 is de rechtspositie van appellant, wat betreft de AKW, geregeld in artikel 7c van de AKW. In dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat degene die op grond van artikel 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Staatsblad 1998, 746) doorlopend verzekerd was tot 1 januari 2006 én toen ook nog recht had op kinderbijslag, dit recht behoudt zolang het jongste kind voor wie de betrokkene op

31 december 1999 recht had op kinderbijslag, de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

4.2.

Na onderzoeken van en namens de Svb in 2006, 2007, 2008, 2010 en 2012 heeft de Svb in het besluit van 26 juli 2013 geconcludeerd dat appellant in Spanje verblijft, dat de elf door appellant voor de kinderbijslag opgegeven kinderen niet van appellant zelf zijn maar van zijn broers en twee moeders, dat de overlijdensakte van zijn vermeende echtgenote [naam echtgenote 1] vervalst is en dat in kopieën van appellants paspoort onregelmatigheden zijn aangetroffen. Deze omstandigheden zijn de aanleiding geweest voor het beëindigen van de kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2006. Voorts heeft appellant zijn huwelijk met echtgenote [naam echtgenote 2] pas in 2012 bekend gemaakt, heeft hij voor de zoon die in 1998 uit dit huwelijk is geboren nooit kinderbijslag aangevraagd en is niet gebleken dat appellant tot 2012 een huishouding vormde met [naam echtgenote 2] en zoon [L] . Het besluit van 26 juli 2013 is in rechte vast komen te staan. Appellant heeft weliswaar opnieuw een aanvraag voor kinderbijslag ingediend voor alle twaalf kinderen maar heeft de eerdere conclusies van de Svb niet bestreden. Voorts is er geen reden om aan deze conclusies te twijfelen.

4.3.

Hieruit volgt dat appellant niet meer verzekerd was voor de AKW omdat appellant niet meer voldeed aan de voorwaarden. De Svb heeft de kinderbijslag terecht geweigerd.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van

M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2019.

(getekend) J.J.T. van den Corput

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

rh