Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3101

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
17/662 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:245
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft terecht aan appellant AOW-pensioen toegekend, waarop een korting is toegepast wegens niet verzekerde jaren. Appellant is niet op grond van ingezetenschap verzekerd geweest ingevolge de AOW in de periode van 14 september 2004 tot en met 7 maart 2007. Niet aannemelijk dat gedurende die periode nog een persoonlijke band van duurzame aard tussen appellant en Nederland heeft bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 662 AOW

Datum uitspraak: 26 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 december 2016, 16/4335 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], België (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.S. van Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Namens appellant is verschenen mr. Van Gans. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft de Svb aan appellant met ingang van

december 2011 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, waarop een korting van 28% is toegepast wegens veertien niet verzekerde jaren. De korting heeft mede betrekking op de niet verzekerde periode van 15 september 2004 tot en met 18 december 2011.

1.2.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2012 is bij besluit van 24 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De Svb heeft overwogen dat appellant tot 14 september 2004 ingeschreven heeft gestaan op een adres in Nieuwegein. Daarna is appellant met bestemming onbekend uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp). Appellant heeft niet aangetoond dat hij na 14 september 2004 feitelijk in Nederland woonde en wordt om die reden niet als ingezetene aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant in de periode in geding, zijnde 14 september 2004 tot en met 7 maart 2007, ingezetene van Nederland was. Appellant heeft zijn stelling, dat hij na zijn uitschrijving uit de brp op wisselende plaatsen in Nederland heeft verbleven, niet onderbouwd.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de uitschrijving uit de brp niet automatisch betekent dat zijn ingezetenschap verloren is gegaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of appellant op grond van ingezetenschap verzekerd is geweest ingevolge de AOW in de periode van 14 september 2004 tot en met 7 maart 2007.

4.2.

In zijn arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt (zie in die zin ook de uitspraak van de Raad van

17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908).

4.3.

In een aantal uitspraken van de Raad van mei 2012 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2012:BW5741 en ECLI:NL:CRVB:2012:BW6264) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.

4.4.

In beleidsregel SB1027 van de Svb is het volgende vastgelegd. Of de band met Nederland verbroken is, stelt de Svb vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. Als iemand uit Nederland vertrekt met het voornemen zich definitief in een ander land te vestigen, geldt dat het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Of het vertrek een definitief karakter heeft, moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden. Als uitgangspunt geldt dat naarmate een betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in het buitenland, beschouwt de Svb betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Ter zitting heeft de Svb nader toegelicht dat een betrokkene alleen gedurende een jaar na de uitschrijving als ingezetene wordt beschouwd, als er omstandigheden zijn op grond waarvan betwijfeld kan worden of het vertrek ten tijde van de uitschrijving reeds definitief was. Een jaar na vertrek beschouwt de Svb het ingezetenschap dan als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen.

4.5.

Bij de beoordeling van het ingezetenschap van appellant wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is geboren in Duitsland en heeft de Nederlandse nationaliteit. Tot 1965 woonde appellant in Duitsland, tot 1968 in Canada, waarna hij in Nederland kwam wonen. Appellant heeft twee huwelijken gehad, in de periode van 1987 tot 2002 en van medio 2002 tot medio 2004. Sinds 16 september 2008 is appellant gehuwd met een in Oekraïne woonachtige vrouw, met wie hij op 14 oktober 2008 en

29 maart 2010 kinderen heeft gekregen. Appellant heeft verder nog twee kinderen die in Nederland wonen. Op 14 september 2004 is appellant uitgeschreven uit de brp met bestemming onbekend. Volgens appellant is dit op verzoek van de verhuurder van zijn toenmalige woning gebeurd, omdat hij een huurschuld had. Daarna zou appellant een zwervend bestaan hebben geleid en voornamelijk op campings in Nederland hebben gewoond. Hij heeft in die periode het adres van zijn dochter als postadres gebruikt. Met ingang van 7 maart 2007 woont appellant in België.

4.6.

Op grond van de hiervoor onder 4.5 omschreven omstandigheden is niet aannemelijk dat gedurende de periode in geding nog een persoonlijke band van duurzame aard tussen appellant en Nederland heeft bestaan. Daarbij is ten eerste van belang dat appellant op geen enkele manier heeft onderbouwd waar hij in die periode feitelijk heeft verbleven. Het ontbrak appellant aan zelfstandige woonruimte in Nederland. De stelling dat appellant op campings verbleef is niet onderbouwd met stukken en ook overigens niet aannemelijk gemaakt. De band die appellant met Oekraïne had in en rond de periode in geding is in dit verband niet onbelangrijk. Appellant is getrouwd geweest met een Oekraïense vrouw in de periode van

15 juni 2002 tot 13 mei 2004. In september 2008 is hij opnieuw in Oekraïne gehuwd en korte tijd later is daar een kind geboren. Bij gebrek aan nader bewijs van feitelijk verblijf in Nederland is onder deze omstandigheden het scenario zeker niet ondenkbaar dat appellant, toen hij op 14 september 2004, naar gesteld op initiatief van zijn verhuurder, werd uitgeschreven uit de Nederlandse bevolkingsregistratie, Nederland al enige tijd eerder had verlaten voor een verblijf in Oekraïne. Onder deze omstandigheden kan appellant geen geslaagd beroep doen op het onder 4.4 vermelde beleid. Het aanhouden van een Nederlandse zorgverzekering en een Nederlandse bankrekening vormt onvoldoende aanwijzing voor het voortbestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW gedurende het tijdvak van 14 september 2004 tot en met 7 maart 2007. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van

M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
26 september 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M. Graveland

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

rh