Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3099

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
18/3607 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar van appellant tegen de brief van 27 september 2016 terecht niet ontvankelijk verklaard. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de brief van 27 september 2016 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de brief niet op rechtsgevolg is gericht. Met die brief is appellant enkel geïnformeerd over het voornemen om zijn functie niet mee te nemen bij de (technische) implementatie van het nieuwe functiewaarderingssysteem, maar om dat later in de onderhoudsronde te doen, zonder dat dit consequenties zal hebben wat betreft de ingangsdatum van de omzetting, omdat hieraan terugwerkende kracht zal worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3607 AW

Datum uitspraak: 26 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2018, 17/1402 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. drs. M.P. Korevaar, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Korevaar en A.M. Pepping.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam bij de gemeente Stadskanaal, laatstelijk in de functie van [naam functie B] (B), in de functiegroep [functiegroep] binnen de afdeling [afdeling].

1.2.

Bij brief van 12 april 2016 heeft het college appellant geïnformeerd over de implementatie van het nieuwe functiewaarderingssysteem HR21. Het college heeft meegedeeld dat het een technische omzetting betreft waarbij functies vanuit het vorige functiewaarderingssysteem één op één over worden gezet naar het nieuwe HR21 systeem. Omdat geconstateerd werd dat het voor de functiegroep van [functiegroep] binnen de afdeling [afdeling] niet mogelijk is om deze technische omzetting op korte termijn te laten plaatsvinden, zijn de [functiegroep] uit de technische overgangsronde gehaald. Verder is meegedeeld dat de [functiegroep] zullen worden meegenomen in de aansluitende onderhoudsronde HR21, waarbij die functies dan definitief beschreven, ingedeeld en gewaardeerd zullen worden. Totdat de resultaten van de onderhoudsronde bekend zijn, blijft de functie-inschaling van de functie van appellant indicatief en ongewijzigd.

1.3.

Nadat appellant zijn zienswijze had gegeven en de toetsingscommissie had meegedeeld dat zij over deze zienswijze geen advies zal uitbrengen, omdat geen sprake is van een voorgenomen functie-indelingsbesluit, heeft het college appellant bij brief van 27 september 2016 nogmaals medegedeeld dat betreffende zijn functie nog geen besluit is genomen met betrekking tot de normfunctie-indeling in HR21. De functie van appellant wordt in de eerstvolgende onderhoudsronde meegenomen, waarna appellant opnieuw de mogelijkheid krijgt een zienswijze in te dienen.

1.4.

Bij besluit van 24 februari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de brief van 27 september 2016, conform het advies van de bewaarschriftencommissie, niet‑ontvankelijk verklaard. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de brief van 27 september 2016 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de brief niet op rechtsgevolg is gericht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen, dat de brief van 27 september 2016, gelet op de aard en strekking daarvan, niet is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met die brief is appellant enkel geïnformeerd over het voornemen om zijn functie niet mee te nemen bij de (technische) implementatie van het nieuwe functiewaarderingssysteem, maar om dat later in de onderhoudsronde te doen, zonder dat dit consequenties zal hebben wat betreft de ingangsdatum van de omzetting, omdat hieraan terugwerkende kracht zal worden verleend.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft opnieuw aangevoerd dat de brief van 27 september 2016 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hij stelt zich hierbij op het standpunt dat de brief een weigering van het college bevat om de functie van appellant overeenkomstig de geldende regelgeving in te delen en te waarderen overeenkomstig HR21. Met de brief ontneemt en onthoudt het college de bestaande rechten van appellant en verkeert hij als het ware in het luchtledige.

4.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college het bezwaar tegen de brief terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad neemt de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad het volgende toe.

4.3.

De brief van 27 september 2016 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Evenmin is sprake van een daarmee gelijk te stellen handeling als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Van een rechtshandeling is sprake indien een handeling gericht is op enig rechtsgevolg. De mededelingen in de brief van 27 september 2016 kunnen niet worden aangemerkt als (publiekrechtelijke) rechtshandelingen, nu zij niet op enig rechtsgevolg zijn gericht. In deze brief worden slechts feitelijke mededelingen gedaan en wordt verder louter informatie verstrekt over de later te volgen omzetting van de functie van appellant naar het functiewaarderingssysteem HR21. Aldus wordt de rechtspositie van appellant, anders dan hij heeft betoogd, niet aangetast. Dit is pas het geval bij een definitief indelingsbesluit HR21.

4.4.

Het betoog van appellant dat uit het besluit van 7 maart 2016 van de Algemeen Directeur volgt dat besloten is om de indeling van zijn functie uit de technische indelingsronde te halen en daarmee definitief niet in te delen slaagt niet. In het bijbehorende voorstel is opgenomen, dat ”geadviseerd wordt om alle adviseurs opnieuw te bezien en in te delen”. Dit is geheel in lijn met de inhoud van de (latere) brieven van het college van 12 april 2016 en 27 september 2016.

4.5.

De beroepsgrond van appellant dat met de brief van 27 september 2016 sprake is van een weigering van het college om een besluit te nemen om de functie van appellant in te delen en te waarderen in HR21 behoeft geen bespreking meer. Het college heeft immers ten aanzien van appellant op 21 december 2018 een definitief indelingsbesluit HR21 genomen, waarin de functie van appellant met ingang van 1 januari 2016 is ingedeeld en gewaardeerd in overeenstemming met HR21.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) L.R. Daman

NW