Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
18-3331 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de gegevens uit Suwinet heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellante bij werkgever X. heeft gewerkt. Het misbruik van persoonsgegevens is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3331 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 mei 2018, 17/6251 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (Zwitserland) (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

Datum uitspraak: 17 september 2019

Zitting hebben: G.M.G. Hink als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en P.J. Huisman als leden

Griffier: P.Y.M. Liu

Namens appellante is mr. S. Guman, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Bos en J.M. van Buuren.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het college heeft de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2016 tot en met

30 september 2016 (te beoordelen periode) herzien, omdat uit gegevens van de Belastingdienst (via Suwinet) en uit de looninformatie van twee werkgevers bleek dat appellante over die periode inkomsten heeft genoten die zij niet heeft opgegeven.

Appellante heeft gesteld dat zij geen werkzaamheden voor werkgever [X.] (werkgever) heeft verricht en heeft aangevoerd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij deze werkgever werkzaamheden heeft verricht, omdat geen salarisspecificaties voorhanden zijn. Deze grond slaagt niet.

Anders dan appellante heeft aangevoerd mag het college in beginsel uitgaan van de juistheid van gegevens over verloonde arbeid opgenomen in Suwinet. Deze gegevens berusten immers op de verplichte opgave van de werkgever. De in Suwinet opgegeven gegevens duiden erop dat appellante in de te beoordelen periode bij de werkgever inkomsten uit arbeid heeft genoten. De gegevens in Suwinet komen ook overeen met de door het college bij de werkgever opgevraagde looninformatie. De enkele stelling dat de werkgever niet aan zijn wettelijke verplichting heeft voldaan om salarisspecificaties op te maken - wat daar ook van zij - betekent niet dat de door de werkgever aan het college verstrekte informatie onjuist zou zijn. Daarbij komt dat appellante bij de rechtbank heeft verklaard bij deze werkgever te hebben gesolliciteerd en een paar dagen te hebben meegelopen. Voor de stelling dat sprake is van een situatie waarin de werkgever misbruik zou hebben gemaakt van de persoonsgegevens van appellante, heeft appellante geen begin van bewijs geleverd.

Het college heeft met de gegevens uit Suwinet en de looninformatie van de werkgever aannemelijk gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. Appellante heeft geen melding gemaakt van deze inkomsten en heeft daardoor de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het college was dan ook gehouden de bijstand in de te beoordelen periode te herzien.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) P.Y.M. Liu (getekend) G.M.G. Hink