Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
17/6395 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:6248, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische grondslag. Voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6395 WIA

Datum uitspraak: 25 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2017, 16/5916 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Igdeli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als teeltmedewerker voor 38,62 uur per week. Hij heeft zich op 19 december 2011 ziek gemeld wegens psychische klachten. Het Uwv heeft appellant met ingang van 16 december 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Met ingang van 16 mei 2015 is appellant in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

Appellant heeft met een wijzigingsformulier op 14 april 2015 bij het Uwv gemeld dat per 2 juni 2014 sprake is van een verslechterde gezondheid. In dat kader heeft het Uwv dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, verzocht een expertise te verrichten. Trompenaars en dr. drs. L.E.E. Ligthart, klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog, hebben op 29 september 2015 een multidisciplinair rapport uitgebracht. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv P.J.H. Notten, psychiater, verzocht appellant te onderzoeken. Na het onderzoek door Notten, dat heeft bestaan uit poliklinisch psychiatrisch onderzoek en observatie tijdens een klinische opname in het St. Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg, heeft een verzekeringsarts van het Uwv, op basis van de bevindingen uit de betreffende rapporten en op basis van eigen onderzoek, op 16 december 2015 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 20 januari 2016 de WGA-uitkering van appellant met ingang van 21 maart 2016 beëindigd, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 28 juli 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 26 juli 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 27 juli 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de conclusie van het rapport van psychiater Notten, op basis van onderzoek tijdens een klinische opname van 5 dagen, dat bij appellant geen diagnose op “As 1” is gesteld, heeft gevolgd. Omdat daarmee is vast komen te staan dat op de datum in geding van 21 maart 2016 geen sprake was van een psychiatrische problematiek, wordt niet (meer) voldaan aan één van de uitzonderingscriteria voor het in aanmerking komen van een duurbeperking of andere beperking ten aanzien van de werktijden. Over de stelling van appellant dat de conclusies van psychiater Notten niet overeenkomen met de behandeling door en conclusies van de behandelend specialisten, heeft de rechtbank overwogen dat de behandelaars van i-psy in de brief van 3 juni 2015 hebben aangegeven dat appellant vanaf 2011 tot mei 2014 onder behandeling is geweest, welke behandeling toen op verzoek van appellant is beëindigd. Na oktober/november 2014 had appellant vooral last van angsten, een situatie die lijkt op hypnagoge hallucinaties. Appellant was niet depressief of psychotisch, waarna alleen een voorlopige (werk-)diagnose is gesteld. Ook de latere informatie van Cirya, gegeven na het intakegesprek van 11 juli 2016, betrof een voorlopige werkdiagnose. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien voor het inwinnen van een advies van een onafhankelijk deskundige. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt in verband met zijn beperkingen door COPD. Uit de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven toelichtingen van 27 juli 2016 en 8 maart 2017 valt af te leiden dat bij de functies sprake is van afzuiging of is aangegeven dat geen sprake is van een forse atmosferische belasting.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep ingenomen standpunten herhaald. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant heeft erop gewezen dat hij meerdere behandelaars heeft gehad die allen hebben geconcludeerd dat hij door dient te gaan met de medicatie die is voorgeschreven voor zijn psychiatrische toestandsbeeld. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het Uwv uit heeft mogen gaan van het onderzoek door psychiater Notten, terwijl drie verschillende behandelaars tot de conclusie zijn gekomen dat bij appellant sprake is van psychische klachten. Daarbij is de rechtbank voorbij gegaan aan de stelling van appellant dat de eerder vastgestelde urenbeperking ook was gebaseerd op de door hem gebruikte medicatie, die nog steeds wordt voorgeschreven. Appellant heeft herhaald dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet kan volstaan met verwijzing naar een algemene toelichting met betrekking tot de geschiktheid van de geselecteerde functies. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank over die stelling.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant de in de eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze leiden niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft deze gronden en argumenten afdoende besproken en met juistheid beoordeeld dat zij niet slagen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die tot een ander oordeel leiden dan de rechtbank heeft gegeven. Het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden daarom geheel onderschreven.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 16 december 2015 heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de in de geselecteerde functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en dat appellant in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M. Graveland

VC