Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
18/236 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van het besluit van 20 november 1989 terecht afgewezen. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 236 WAO

Datum uitspraak: 25 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2017, 17/4435 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is in het verleden een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Met ingang van 7 maart 1984 is de arbeidsongeschiktheid van appellant geheel buiten aanmerking gelaten omdat appellant niet heeft voldaan aan de oproepen van de Gemeenschappelijke Medische Dienst om voor onderzoek naar Nederland te komen. Bij besluit van 20 november 1989 is de WAO-uitkering van appellant vanaf 28 november 1988 weer uitbetaald. Dit besluit is in rechte vast komen te staan. Appellant heeft in de jaren daarna diverse malen verzocht om terug te komen van het besluit van 20 november 1989.

1.2.

Op 6 april 2017 heeft appellant nogmaals verzocht om terug te komen van het besluit van 20 november 1989. Appellant heeft daarbij aangegeven dat een paar jaar geen uitkering is betaald en hij bereid is gegevens op te sturen. Met het besluit van 20 april 2017 heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 20 november 1989 omdat het verzoek van appellant geen nieuwe informatie bevat. Bij besluit van 6 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 april 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant bij zijn verzoek van 6 april 2017 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De door appellant aangevoerde argumenten had hij immers ook al tegen het besluit van 20 november 1989 kunnen aanvoeren.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij een WAO-uitkering heeft aangevraagd omdat er vier jaar geen uitkering is betaald. Hij heeft hierover alle juiste gegevens naar het Uwv verzonden. Appellant verzoekt om alsnog een WAO-uitkering toe te kennen over deze vier jaar.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellant van 6 april 2017 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 20 november 1989. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Aan zijn verzoek van 6 april 2017 heeft appellant ten grondslag gelegd dat er van 1984 tot 1988 geen WAO-uitkering is betaald terwijl hij in die periode wel verzekerd en volledig arbeidsongeschikt was. Appellant stelt ook te hebben meegewerkt aan onderzoek. De rechtbank heeft dit terecht niet aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, aangezien deze feiten al tijdens het besluit van 20 november 1989 bekend waren en ook in de procedures over dit besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Het Uwv mocht het verzoek van appellant van 6 april 2017 dan ook afwijzen onder verwijzing naar zijn besluit van 20 november 1989. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC