Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
17/5171 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:3503, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Voor het aannemen van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag is niet bepalend wanneer de met de ziekte van Parkinson samenhangende klachten zich voor het eerst bij appellant openbaarden, maar sinds wanneer appellant ten gevolge van die klachten niet meer in staat was tot het verrichten van zijn werkzaamheden in de voor hem normale omvang. Geen gegevens overgelegd waaruit noodzaak blijkt om wegens medische redenen minder uren te gaan werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TRA 2020/9 met annotatie van P.S. Fluit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5171 WIA

Datum uitspraak: 25 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 juni 2017, 16/10487 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.G. in de Braekt hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als chauffeur techniek en reiniging, aanvankelijk voor

36 uur per week. De arbeidsduur is per 1 september 2010, 1 januari 2013 en 1 december 2013 teruggebracht tot uiteindelijk 23,65 uur per week. Op 15 september 2014 heeft appellant zich ziek gemeld wegens klachten in verband met de ziekte van Parkinson.

1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen

naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv appellant bij besluit van 15 augustus 2016 met ingang van 12 september 2016 een IVA-uitkering toegekend.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat uit is gegaan van een onjuiste eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Appellant moet aangemerkt worden als medische afzakker omdat hij per 1 januari 2013 en 1 december 2013 om medische redenen minder is gaan werken. Bij besluit van 24 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 augustus 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

26 april 2017. Appellant heeft niet met objectieve medische stukken onderbouwd dat aan de keuze voor urenvermindering een medische oorzaak ten grondslag ligt. Daarbij heeft de rechtbank onder andere betrokken dat appellant zelf bij de arbeidsdeskundige heeft toegelicht dat hij een urenbeperking heeft gevraagd vanwege privéomstandigheden. Bovendien volgt volgens de rechtbank uit de overgelegde informatie weliswaar dat appellant medische klachten heeft, maar niet dat deze dusdanig waren dat hij vanaf 1 januari 2013 arbeidsongeschikt moet worden geacht. Omdat pas in beroep toereikend is gemotiveerd dat appellant niet is aan te merken als een medische afzakker heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand gelaten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dat hij moet worden beschouwd als een medische afzakker. Zowel de urenvermindering per 1 januari 2013 als de urenvermindering per 1 december 2013 heeft op medische gronden plaatsgevonden. Ook de primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport aangegeven dat appellant aangemerkt moet worden als medische afzakker.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Voor het aannemen van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag is niet bepalend wanneer de met de ziekte van Parkinson samenhangende klachten zich voor het eerst bij appellant openbaarden, maar sinds wanneer appellant ten gevolge van die klachten niet meer in staat was tot het verrichten van zijn werkzaamheden in de voor hem normale omvang. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij vanaf 1 januari 2013, dan wel 1 december 2013, in verband met zijn klachten om medische redenen genoodzaakt was minder uren te gaan werken. De verzekeringsarts vermeldt in zijn rapport van 7 november 2016 weliswaar dat sprake is van een medische afzakker, maar hiervoor wordt door de verzekeringsarts in zijn rapport geen (medische) onderbouwing gegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 26 april 2017 voldoende gemotiveerd waarom de primaire verzekeringsarts niet in dit standpunt kan worden gevolgd. Vastgesteld is dat eind 2012 bij appellant sprake was van intermitterende schouderklachten op grond van een bursitis, die door een injectie verbeterden en die slechts aanleiding gaven tot kortdurend ziekteverzuim. In de loop van 2013 is bij appellant een lichte motorische stoornis in de linker lichaamshelft opgetreden, die op dat moment nog geen invaliderend karakter had, echter aanleiding gaf tot nader onderzoek, waarbij later de diagnose ziekte van Parkinson is vastgesteld. Uit de voorhanden zijnde medische informatie blijkt niet dat deze lichte motorische stoornis noodzaakte tot een vermindering van arbeidsduur per 1 januari 2013 dan wel 1 december 2013.

4.2.

De overwegingen in 4.1 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS