Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
19/3241 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Kortsluiting. ANW-uitkering terecht ingetrokken, omdat appellante niet langer arbeidsongeschikt was. Voldoende medische grondslag. Ten onrechte een uitlooptermijn van niet meer dan twee maanden in acht genomen. De voorzieningenrechter onderschrijft dat de uitlooptermijn vier maanden had moeten bedragen. Om die reden moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/3241 ANW, 19/3242 ANW-VV

Datum uitspraak: 12 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2019, 19/1607 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats], België (verzoekster)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoekster heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Verzoekster is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na het overlijden van haar echtgenoot heeft verzoekster tot 1 januari 2017 een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) ontvangen omdat zij een kind had dat jonger was dan achttien jaar. Aansluitend achtte zij zich arbeidsongeschikt wegens psychische klachten. Op basis van onderzoeksbevindingen van een geneesheer-inspecteur van het Belgische Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, heeft een verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Svb in juli 2017 geadviseerd verzoekster meer dan 45% arbeidsongeschikt te achten. Daarbij gaf de verzekeringsarts aan, medisch heronderzoek na een jaar aangewezen te achten. Op basis van het advies van de verzekeringsarts heeft de Svb de ANW-uitkering van verzoekster vanaf 1 januari 2017 voortgezet.

1.2.

Op 1 oktober 2018 is verzoekster opnieuw medisch onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. De verzekeringsarts nam op psychisch gebied tijdens het onderzoek geen bijzonderheden waar. De aandacht en concentratie van verzoekster waren goed, de vragen en antwoorden gericht, het affect moduleerde normaal en er waren geen tekens van agressie, emotionele labiliteit of depressie. Verder was er sprake van een regelmatige dagstructuur. Verzoekster gaf blijk van plezier in dingen, zorgde voor haar kinderen en verrichtte activiteiten. Wel toonde verzoekster zich emotioneel wanneer zij sprak over het overlijden van haar man. Dit was volgens de verzekeringsarts een normale reactie; van een zodanige psychische problematiek als gevolg van dit overlijden dat dit zou leiden tot beperkingen voor arbeid, was echter volgens de verzekeringsarts ten tijde van het onderzoek geen sprake meer. Verder waren er geen aanwijzingen voor lichamelijke problematiek. De verzekeringsarts kwam tot de conclusie dat bij verzoekster niet langer sprake was van beperkingen voor het verrichten van arbeid als gevolg van ziekte of gebrek. De verzekeringsarts heeft daarom aan verzoekster laten weten haar niet langer arbeidsongeschikt te achten. In die zin heeft het Uwv ook aan de Svb geadviseerd.

1.3.

Bij besluit van 7 november 2018 (primair besluit) heeft de Svb de ANW-uitkering van verzoekster beëindigd met ingang van 1 januari 2019. Bij het bestreden besluit van 28 februari 2019 heeft de Svb het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, inhoudend dat er geen aanleiding is om een ander standpunt in te nemen dan het standpunt van de verzekeringsarts. Verder is overwogen dat verzoekster, behalve een ongemotiveerde verklaring van haar huisarts dat zij arbeidsongeschikt is, geen medische stukken heeft overgelegd en evenmin heeft laten weten gebruik te willen maken van de mogelijkheid, door het Uwv te worden gehoord.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het rapport van de verzekeringsarts op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en is dit rapport concludent. Het door verzoekster overgelegde rapport van haar huisarts vermeldt geen waarnemingen of eigen onderzoeksmethode. Hiermee heeft verzoekster dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van de verzekeringsarts niet juist is.

3.1.

In hoger beroep heeft verzoekster aangevoerd dat het gesprek met de verzekeringsarts maar heel kort heeft geduurd en dat de procedureregels zijn geschonden.

3.2.

De Svb heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat bij de beëindiging van de uitkering ten onrechte een uitlooptermijn van niet meer dan twee maanden in acht is genomen. Op grond van de beleidsregel Beëindiging nabestaandenuitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid (SB1287) had de Svb voor verzoekster, een buiten Nederland wonende EU-onderdaan, een uitlooptermijn van vier maanden in acht moeten nemen nadat zij van het Uwv had gehoord dat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op de door verzoeker ingediende stukken is sprake van een voldoende spoedeisend belang.

4.2.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 16 oktober 2018 onzorgvuldig is geweest. Evenmin is bij de voorzieningenrechter twijfel gerezen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts. De verklaring van de huisarts van verzoekster vermeldt geen klachten, geen bevindingen bij onderzoek, geen behandeling en geen medicatievoorschrift. Deze verklaring is derhalve stellig, maar in geen enkel opzicht overtuigend.

4.5.

Voor zover verzoekster heeft willen betogen dat ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, wordt opgemerkt dat een dergelijk onderzoek slechts vereist is als bij een betrokkene beperkingen zijn vastgesteld als gevolg van ziekte of gebrek. Bij verzoekster was in oktober 2018 geen sprake meer van dergelijke beperkingen.

4.6.

Wel heeft de Svb erkend, bij de beëindiging van de ANW-uitkering van verzoekster ten onrechte een uitlooptermijn van niet meer dan twee maanden in acht te hebben genomen en in zoverre inderdaad niet de vereiste zorgvuldigheid in acht te hebben genomen. De voorzieningenrechter onderschrijft dat de uitlooptermijn op de voet van beleidsregel SB1287 vier maanden had moeten bedragen. Om die reden moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen voor zover de ingangsdatum van de beëindiging van de ANW-uitkering van verzoekster daarbij is bepaald op 1 januari 2019. De voorzieningenrechter zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de ANW-uitkering van verzoekster met ingang van 1 maart 2019 wordt beëindigd.

4.7.

Er is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit voor zover de ingangsdatum van de beëindiging van de
ANW-uitkering van verzoekster daarbij is bepaald op 1 januari 2019;

- bepaalt dat de ANW-uitkering van verzoekster wordt beëindigd met ingang van
1 maart 2019;

- bepaalt dat deze uitspraak treedt in zoverre treedt in de plaats van het primaire besluit;

- bepaalt dat de Svb aan verzoekster het in beroep en het voor de behandeling van de

bodemzaak in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van

M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
12 september 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M. Graveland

JL