Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
15/5047 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering terecht is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De door de Raad geraadpleegde deskundige heeft toegelicht waarom zij geen aanleiding heeft gezien om appellante op te roepen voor een spreekuur. De argumenten die de deskundige hiervoor heeft gegeven worden onderschreven. De verzekeringsarts heeft de conclusie van de deskundige geheel en op juiste wijze overgenomen in de FML van 7 maart 2019. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens overtuigend gemotiveerd dat de voor appellante geselecteerde functies ook met de gewijzigde FML geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5047 WAO

Datum uitspraak: 18 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 juni 2015, 14/8115 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

De Raad heeft het onderzoek heropend en L. Greveling-Fockens, verzekeringsarts, benoemd als deskundige.

Desgevraagd heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

21 februari 2018 aan de Raad gezonden.

De deskundige heeft op 4 december 2018 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben een zienswijze ingediend.

De deskundige heeft op 3 juli 2019 nader gerapporteerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als begeleidster gehandicaptenzorg. Op 14 mei 2001 is zij uitgevallen als gevolg van lichamelijke en emotionele klachten. Vanaf 6 mei 2002 ontving appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Bij besluit van 24 februari 2014 heeft het Uwv, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, de WAO-uitkering van appellante met ingang van 25 april 2014 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van 8 oktober 2014 (bestreden besluit). Hieraan liggen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv op zorgvuldige wijze is verricht en dat de medische belastbaarheid van appellante op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende uiteengezet dat appellante niet voldoet aan de situatie waarin sprake is van geen benutbare mogelijkheden en dat er geen medische noodzaak is om een urenbeperking te stellen. De rechtbank is van oordeel dat appellante op de datum in geding in staat moet worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 augustus 2014. Voorts ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante te boven gaan.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat haar medische beperkingen groter zijn dan het Uwv heeft aangenomen en dat ten onrechte geen urenbeperking is toegepast. Appellante heeft de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen die nader kan rapporteren over haar gezondheidssituatie en de bij haar bestaande beperkingen per de in geding zijnde datum.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

3.3.

De Raad heeft aanleiding gezien verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als deskundige om advies te vragen. Zij heeft in haar rapport van 4 december 2018 geconcludeerd dat er op 25 april 2014 sprake was van rug- en beenklachten rechts. Deze klachten zijn te beschouwen als restpijn na een radiculopathie L4-L5. Daarnaast is er sprake van een klapvoet rechts op basis van een drukneuropathie, degeneratieve afwijkingen aan de rechter knie en hypothyreoïdie (traag werkende schildklier). De deskundige is van mening dat enkele beperkingen aan de FML van 6 augustus 2014 moeten worden toegevoegd. Appellante is meer beperkt te achten ten aanzien van lopen en lopen tijdens het werk. Lopen is een kwartier aaneengesloten mogelijk en lopen tijdens het werk tot 2 uur per werkdag. Als toelichting bij lopen moet worden vermeld: ‘niet op oneffen terrein’.

3.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na ontvangst van het rapport van de deskundige de FML op 7 maart 2019 overeenkomstig het advies van de deskundige aangepast.

3.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 7 mei 2019 vastgesteld dat de voorbeeldfuncties ook uitgaande van de FML van 7 maart 2019 passend zijn. Het door het Uwv ingenomen standpunt over de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 april 2014 wijzigt niet.

3.6.

Appellante heeft op 28 januari 2019, in reactie op het rapport van de deskundige gesteld dat zij het betreurt dat zij niet is opgeroepen door de deskundige voor een onderzoek of gesprek. Gelet op de lange historie en omdat appellante weinig is gehoord, had het in de rede gelegen appellante in de gelegenheid te stellen haar zienswijze te geven. Appellante blijft van mening dat haar beperkingen worden onderschat en dat zij de voorbeeldfuncties vanwege haar beperkingen niet kan uitvoeren. Bij brief van 25 juni 2019 heeft appellante nogmaals aangevoerd dat zij bij de deskundige had willen verschijnen om een toelichting te geven op haar beperkingen en dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten.

3.7.

De deskundige heeft in haar schrijven van 3 juli 2019 te kennen gegeven dat zij geen aanleiding heeft gezien om appellante op te roepen op het spreekuur omdat de datum in geding jaren in het verleden ligt en de klachten die bestonden rond die datum zowel in de rapporten van de verzekeringsartsen als in de brieven van de behandelend sector duidelijk zijn verwoord. De deskundige is van mening dat bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid voldoende rekening is gehouden met de geobjectiveerde beperkingen van appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 25 april 2014.

4.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. De Raad is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De conclusies van de deskundige berusten op een voldoende uitgebreide en zorgvuldige bestudering van de beschikbare medische stukken en zijn overtuigend gemotiveerd.

4.3.

In reactie op de stelling van appellante in de brief van 25 juni 2019, dat de beschikbare stukken geen reëel en volledig beeld schetsen van de samenhang van de klachten en dat de holvoetproblematiek onvoldoende is onderkend, heeft de deskundige op 3 juli 2019 gerapporteerd dat het bestaan van een holvoet op de datum in geding niet in het dossier is vermeld. Opgemerkt is dat met een verminderde belastbaarheid van de voet in de FML rekening is gehouden. De deskundige ziet daarom geen aanleiding tot herziening van de conclusies in het rapport. De deskundige heeft toegelicht waarom zij geen aanleiding heeft gezien om appellante op te roepen voor een spreekuur. De argumenten die de deskundige hiervoor heeft gegeven worden onderschreven.

4.4.

Dat de brief van 28 januari 2019 niet aan de deskundige is voorgelegd, zoals appellante heeft opgemerkt, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel aangezien in deze brief geen feiten staan vermeld die niet bekend waren bij de deskundige. In deze brief heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het feit dat zij niet is opgeroepen door de deskundige en heeft zij gewezen op haar rug-, nek- en voetklachten. Op 25 juni 2019 heeft appellante deze bezwaren herhaald. Met de brief van 3 juli 2019 heeft de deskundige hier afdoende op gereageerd.

4.5.

De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusie van de deskundige geheel en op juiste wijze heeft overgenomen in de FML van 7 maart 2019. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens overtuigend gemotiveerd dat de voor appellante geselecteerde functies ook met de gewijzigde FML geschikt zijn. Hieruit volgt dat de WAO-uitkering per 25 april 2014 terecht is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

5. Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op de omstandigheid dat het Uwv in hoger beroep de FML heeft gewijzigd, staat vast dat het bestreden besluit niet was voorzien van een deugdelijke motivering zoals artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vereist. De schending van artikel 7:12 van de Awb wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen.

6. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 2.304,- voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de door appellante in de proceskosten van appellante tot een bedrag

van in totaal € 2.304,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 168,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) S.L. Alves

VC