Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
17/4957 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Langer dan toegestaan buiten Nederland verbleven. Grond dat appellant niet wist dat bij niet langer dan vier weken in het buitenland mocht verblijven slaagt niet. Intrekking en terugvordering bijstand. Beroep op zeer dringende redenen slaagt evenmin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4957 PW, 17/4958 PW

Datum uitspraak: 24 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

31 mei 2017, 16/2103 en 16/3048 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt sinds 5 februari 2015 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand heeft het college appellant opgeroepen voor een gesprek op 18 september 2015. Namens appellant heeft een maatschappelijk werker per e-mail doorgegeven dat appellant in Griekenland verbleef bij zijn broer die een ernstig ongeluk had gehad en in coma in het ziekenhuis lag. Het college heeft appellant vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op

2 oktober 2015, met het verzoek om bankafschriften en een verklaring over de redenen van zijn verblijf in het buitenland mee te nemen. Met toestemming van appellant is op
2 oktober 2015 een huisbezoek afgelegd en heeft het gesprek plaatsgevonden. Daarna heeft appellant nog bankafschriften en boekingen van vliegtickets verstrekt en is informatie opgevraagd bij de Koninklijke Marchechaussee over de buitenlandse reizen van appellant. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 oktober 2015.

1.3.

Op basis van het onderzoek heeft het college bij besluit van 3 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 maart 2016 (bestreden besluit 1), het recht op bijstand ingetrokken van 6 juni 2015 tot en met 8 juni 2015, 10 juli 2015 tot en met 29 juli 2015 en

1 september 2015 tot en met 29 september 2015 (perioden in geding) en de over de perioden in geding verstrekte bijstand tot een bedrag van € 1.565,29 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant in de perioden in geding langer dan de toegestane periode van vier weken in het buitenland was en over die perioden is uitgesloten van het recht op bijstand.

1.4.

Bij besluit van 11 januari 2016 heeft het college aan appellant een boete opgelegd van

€ 1.565,-. Bij besluit van 17 mei 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 januari 2016 gegrond verklaard en de boete vastgesteld op

€ 790,-. Aan bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat sprake is van normale verwijtbaarheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en terugvordering (bestreden besluit 1)

4.1.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand.

4.1.2.

Artikel 17, eerste lid, van de PW bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de perioden in geding meer dan de toegestane periode van vier weken buiten Nederland heeft verbleven. Appellant was daarom in de perioden in geding op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, uitgesloten van bijstand.

4.3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat hij niet wist dat hij niet meer dan vier weken buiten Nederland mocht verblijven. Appellant is statushouder en had begrepen dat hij niet meer dan drie maanden in het buitenland mocht verblijven. Het college heeft hem niet voorgelicht over de regels die voor bijstand gelden. Ter onderbouwing heeft appellant gewezen op een in bezwaar overgelegde verklaring van een medewerker van Stichting Vluchtelingenwerk die bij het intakegesprek in januari 2015 aanwezig was, dat aan appellant tijdens dit gesprek niet is medegedeeld dat hij niet langer dan vier weken in het buitenland mag verblijven.

4.3.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft in beroep toegelicht dat appellant in het besluit tot toekenning van bijstand van 2 maart 2015 en in een aan alle statushouders in augustus 2015 verstrekte folder heeft kunnen lezen dat op hem een inlichtingenverplichting rust op grond waarvan hij direct en uit eigen beweging mededeling moet doen van alles wat van invloed kan zijn op het recht op of de hoogte van de bijstand. Appellant heeft dit niet betwist. Verblijf buiten Nederland kan van invloed zijn op het recht op bijstand. Als de omvang van de inlichtingenverplichting voor appellant niet duidelijk was, had hij nadere inlichtingen kunnen inwinnen bij de gemeente Utrecht of bij een hulpverlenende persoon of instantie. Hieruit volgt dat appellant, door zijn verblijf in het buitenland niet te melden, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan over de perioden in geding ten onrechte bijstand is verleend.

4.4.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij noodgedwongen in het buitenland was, omdat zijn broer gewond was geraakt bij een ongeluk en in een ziekenhuis in Griekenland in coma lag.

4.4.2.

Voor zover appellant hiermee een beroep heeft willen doen op dringende redenen, is van belang dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van artikel 13 van de PW bijstand kan verlenen, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken (artikel 16, eerste lid, van de PW). Daarvoor is vereist dat er een acute noodsituatie is en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere manier zijn te verhelpen.

4.4.3.

Alleen al omdat de reden voor verblijf buiten Nederland niet zijn eigen (gezondheids)situatie was, zijn er geen zeer dringende redenen op grond waarvan het college appellant toch bijstand had moeten verlenen.

4.5.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de omstandigheid dat hij in verband met de gezondheidssituatie van zijn broer (te) lang in het buitenland heeft verbleven voor het college reden had moeten zijn om van terugvordering af te zien, of om de terugvordering te matigen.

4.5.2.

Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Op grond van artikel 58, achtste lid, van de PW kan het college op grond van dringende redenen besluiten geheel of ten dele van terugvordering af te zien. Dringende redenen doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Wat appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen als hiervoor bedoeld.

De boete (bestreden besluit 2)

4.6.

Uit 4.3 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn verblijf buiten Nederland in de perioden hier in geding. Appellant kan hiervan een verwijt worden gemaakt. Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 790,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.

Conclusie

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter, in tegenwoordigheid van

M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2019.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) M. Buur