Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
18/3763 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad genomen nieuw besluit op bezwaar. Onvoldoende grondslag voor besluitvorming dat appellante de woning in bezit had in de te beoordelen periode. Het gebrek in de besluitvorming is met nieuw besluit niet hersteld. De Raad herroept de besluiten nu het college alleen bij onduidelijkheid nadere gegevens zal opvragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/3763 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 17 september 2019

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 31 mei 2018

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 13 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:410) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 maart 2016, 15/5611, vernietigd. Daarbij heeft de Raad het beroep tegen het besluit van 3 juli 2015, genomen op het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 3 maart 2015 en 19 maart 2015, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van zijn uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Verder heeft de Raad met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 31 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 3 maart 2015 en 19 maart 2015 wederom ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. S. Çakal, advocaat, beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer een nadere reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2019. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.H. Ligtenberg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 13 februari 2018 (uitspraak). Hij volstaat nu met het volgende.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 3 maart 2015 de bijstand van appellante met ingang van 17 augustus 2010 ingetrokken en bij besluit van 19 maart 2015 de over de periode van 17 augustus 2010 tot en met 31 januari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 65.528,83 van haar teruggevorderd. De Raad heeft in zijn uitspraak geoordeeld dat het besluit van 3 juli 2015 niet op een voldoende feitelijke grondslag berust omdat deze feitelijke grondslag uitsluitend is gebaseerd op onrechtmatige onderzoeksbevindingen die niet als bewijs aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd. Het college heeft ter zitting van de Raad gemeld dat appellante informatie over het bezit van een woning in Turkije heeft verstrekt in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand van 10 maart 2015. Omdat het college op grond van zijn algemene onderzoeksbevoegdheid, zoals neergelegd in artikel 53a van de Participatiewet (PW), ook in het individuele geval van appellante alsnog kan verifiëren en daartoe onderzoek kan (laten) verrichten of appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van vermogen in Turkije, heeft de Raad het college opdracht gegeven opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 3 maart 2015 en 19 maart 2015. Daarbij dient het college zich volgens de Raad tevens een oordeel te vormen over de gronden, die appellante heeft aangevoerd over de omvang van haar vermogen, die onbesproken zijn gebleven in de uitspraak.

2. Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college onder wijziging van de feitelijke grondslag de bezwaren van appellante de besluiten van 3 maart 2015 en 19 maart 2015 opnieuw ongegrond verklaard. Het college heeft, voor zover hier van belang, op grond van nader onderzoek vastgesteld dat appellante beschikt over een woning in Turkije op het adres [adres woning] (woning), waarvan zij nooit eerder uit eigen beweging melding heeft gemaakt aan het college. Appellante heeft daardoor niet voldaan aan haar inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de PW. Appellante had de onroerende zaak reeds bij de aanvraag om bijstand van 17 augustus 2010 in haar bezit en zij heeft niet aangetoond wat de waarde daarvan was. Hierdoor kan haar recht op bijstand in de te beoordelen periode, die loopt van 17 augustus 2010 tot en met 3 maart 2015, niet meer worden vastgesteld. Omdat appellante niet heeft aangetoond wat de waarde van de woning was op 17 augustus 2010 en wat de waardeontwikkeling ervan nadien was, is zij er niet in geslaagd om aan te tonen dat zij ondanks de schending van de inlichtingenverplichting op enig moment in de beoordelingsperiode toch recht op bijstand had.

3. Appellante heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 17 augustus 2010 tot en met 3 maart 2015.

4.3.

Het nadere onderzoek dat het college heeft verricht ter uitvoering van de uitspraak heeft zich beperkt tot dossieronderzoek. Ter zitting is vastgesteld dat van de in het dossier aanwezige stukken alleen de gegevens die het college van appellante heeft verkregen in het kader van de nieuwe aanvraag van 10 maart 2015 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd kunnen worden. Niet in geschil is dat deze gegevens bij de besluitvorming mogen worden betrokken.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat zij tijdens het gesprek dat met haar is gevoerd naar aanleiding van de aanvraag van 10 maart 2015 wel over de woning heeft gesproken, maar dat uit deze mededelingen niet kan worden afgeleid dat zij gedurende de te beoordelen periode eigenaresse is geweest van de onroerende zaak in Turkije. Daarom heeft het college volgens appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt. Appellante heeft na de intrekking van haar bijstand bij het besluit van 3 maart 2015 opnieuw bijstand aangevraagd op 10 maart 2015. Op het toen ingevulde aanvraagformulier, heeft zij op de vraag naar haar bezittingen geantwoord dat zij een (vakantie)woning bezit met een waarde van € 5.500,-. Vervolgens is in het kader van de aanvraag met haar een gesprek gevoerd op 24 juni 2015. Uit het van dit gesprek opgemaakte verslag blijkt dat met appellante is gesproken over haar plannen met de woning in Turkije. Appellante is daarbij op de gestelde vragen ingegaan en heeft met haar antwoorden, zo wordt niet betwist, bevestigd dat zij op dat moment in het bezit was van een woning in Turkije. Op geen enkele wijze kan echter uit het aanvraagformulier of het gespreksverslag worden afgeleid dat appellante op 17 augustus 2010 dan wel gedurende enig moment in de te beoordelen periode in het bezit was van een woning, zoals het college ter zitting ook heeft erkend. De uitspraak waarnaar het college verwijst (uitspraak van 19 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1210) is niet vergelijkbaar met dit geschil, reeds omdat in die zaak niet in geschil was dat appellanten ten tijde van de te beoordelen periode eigenaar waren van een woning.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het college met het bestreden besluit niet alsnog deugdelijk heeft onderbouwd dat appellante in de te beoordelen periode in het bezit was van een woning in Turkije. Het college heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft nagelaten het college te informeren over het bezit van een woning gedurende de te beoordelen periode. Het bestreden besluit ontbeert daarmee een draagkrachtige motivering. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het college heeft de kans gehad om het gebrek te herstellen, maar is daar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet in geslaagd. Het college heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat alleen in het geval er onduidelijkheden zijn gegevens worden opgevraagd. Het inschakelen van een instantie die onderzoek kan doen in Turkije en het opvragen van nadere gegevens bij appellante is hier volgens het college niet aan de orde, omdat de uitkomsten van dat onderzoek al op voorhand bekend zijn. In het kader van een definitieve beslechting van het geschil zal de Raad daarom de besluiten van 3 maart 2015 en 19 maart 2015, waaraan hetzelfde gebrek kleeft, herroepen.

5. Het voorgaande geeft aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.536,- in bezwaar en € 512,- in beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 31 mei 2018;

  • -

    herroept het besluit van 3 maart 2015 en het besluit van 19 maart 2015;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van totaal

€ 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en Y.J. Klik en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) D. Bakker

sg