Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3045

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
18/3304 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3535, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde kasstortingen. Niet aannemelijk gemaakt dat het stortingen na eigen opnames betreft. Aangemerkt als inkomen. Herziening en terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3304 PW-PV, 18/3385 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 3 september 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2018, 17/6246 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Zitting hebben: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en M.F. Wagner als leden

Griffier: V.Y. van Almelo

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.W.J. van der Meer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Tang.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 28 mei 2018 ongegrond.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellant ontvangt sinds 11 juli 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand heeft appellant onder andere overzichten van de bij- en afschrijvingen van zijn bankrekening bij de ING-bank overgelegd over de periode van 15 februari 2015 tot en met 17 augustus 2016 en is hij een aantal keren gehoord.

2. Bij besluit van 13 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
14 september 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 april 2015 tot en met 31 augustus 2016 (te beoordelen periode) herzien en de gemaakte kosten van bijstand over deze maanden tot een bedrag van € 5.346,13 (bruto) teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij in deze periode inkomsten heeft gehad uit periodieke contante stortingen op zijn bankrekening. Deze stortingen dienen volgens het college als inkomsten te worden aangemerkt die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 september 2017 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij de herziening en terugvordering over de maand augustus 2016 opnieuw dient te worden vastgesteld.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nader besluit van 28 mei 2018 (nader besluit) de herziening en de terugvordering over de maand augustus 2016 aangepast. Het college heeft in het nader besluit de storting op 1 augustus 2016 van € 700,- niet meer meegenomen en het terug te vorderen bedrag verlaagd naar € 4.942,94 (bruto).

5. Het nader besluit wordt met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij de beoordeling in hoger beroep betrokken.

6. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden (kas)stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.

7. Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode een groot aantal contante stortingen op de bankrekening van appellant heeft gedaan, variërend van € 50,- tot en met € 560,-, tot een totaalbedrag van € 3.060,-. Evenmin is in geschil dat appellant geen mededeling heeft gedaan aan het college van deze contante stortingen.

8.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Het college had appellant in de gelegenheid moeten stellen om nader aan te tonen wat de oorzaak was van zijn gedrag.

8.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven op de op zijn bankrekening gedane contante stortingen. De door appellant gegeven uitleg is vervolgens door het college aan de hand van de bankafschriften onderzocht en in bezwaar en beroep nogmaals bezien, maar is volgens het college niet aannemelijk geworden. Niet kan worden gezegd dat het onderzoek hiermee onvoldoende is geweest.

9.1.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat het feit dat zijn verklaring niet direct voor de hand ligt, niet betekent dat hij onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt. Appellant heeft geld opgenomen zodra hij het had en teruggestort als er noodzakelijke kosten moesten worden voldaan, zoals huur. De behoefte aan contant geld is te relateren aan zijn culturele achtergrond. Appellant heeft verder aangevoerd dat geen sprake is van periodieke stortingen, omdat er geen sprake is van een vast patroon.

9.2.

Deze beroepsgronden slagen niet. Appellant heeft de herkomst van de kasstortingen niet aannemelijk gemaakt. Voor de vraag of een middel als inkomen kan worden aangemerkt is onder meer van belang of de bron naar zijn aard overeenkomt met de in artikel 32, eerste lid, van de PW genoemde inkomensbronnen. Bij kasstortingen is sprake van contante bedragen waarvan de herkomst en daarmee de bron in beginsel onduidelijk is. Indien het bedrag van een kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in het levensonderhoud, moet het daarom in beginsel worden aangemerkt als inkomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen (vergelijk de uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055). Appellant is daarin niet geslaagd. Er is onvoldoende rechtstreeks verband te zien tussen de opnames en de stortingen, zowel in tijd als in omvang van de bedragen, om aannemelijk te kunnen achten dat op de rekening van appellant geen andere bedragen zijn gestort dan de bedragen die hij eerder had opgenomen. Evenmin kunnen de stortingen worden gerelateerd aan te betalen noodzakelijke kosten. Bovendien is in een geruime periode sprake van een netto overschot aan stortingen. Het enkele feit dat er geen vast patroon zit in de stortingen betekent niet dat er geen sprake is van een terugkerend karakter.

10. Uit 6 tot en met 9.2 volgt dat de kasstortingen van belang zijn voor het recht op bijstand. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen en moeten zijn dat hij de kasstortingen moest melden, zodat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft de kasstortingen terecht als inkomsten aangemerkt en op de bijstand van appellant in mindering gebracht.

11. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

12. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

13. Tegen het nader besluit heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat het beroep tegen dat besluit ongegrond moet worden verklaard.

14. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) V.Y. van Almelo (getekend) O.L.H.W.I. Korte