Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3042

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
18/2504 WMO15-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Postadres dakloze. Het was appellant bekend dat er problemen waren met het postadres. Indien het voor appellant niet mogelijk was een ander postadres op te geven, had appellant contact kunnen onderhouden met de Raad om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen in zijn procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 september 2019

18/2504 WMO15-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 maart 2018, 17/4145 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 24 april 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 9 augustus 2019. Appellant is verschenen in aanwezigheid van mevrouw M.C. Damsté. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 24 april 2019 berust op de overwegingen dat de gronden van het hoger beroep niet tijdig zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

In verzet heeft appellant te kennen gegeven dat hij in de periode waarin de gronden moesten worden ingediend een postadres had bij de gemeente Purmerend. Dit postadres is niet persoonlijk, maar wordt als briefadres gebruikt voor daklozen. Het college beoefende grote invloed uit op het correspondentieverkeer tussen appellant en de Raad en heeft zijn briefadres in juni 2018 opgeheven. Appellant ontving poststukken (te) laat of helemaal niet. Door het college zijn ook poststukken van andere afzenders retour gezonden. De brief waarbij appellant werd uitgenodigd om binnen een termijn van vier weken de gronden in te dienen, heeft appellant laat bereikt, waardoor de termijn voor het indienen van de gronden is ingekort.

De Raad is van oordeel dat in verzet geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De Raad heeft de brieven van 25 mei 2018 en 25 juni 2018, waarbij appellant de gelegenheid is geboden de beroepsgronden in te dienen, aan het door appellant opgegeven adres gezonden. Het was appellant bekend dat er problemen waren met dit postadres. Indien het voor appellant niet mogelijk was een ander postadres op te geven, had appellant contact kunnen onderhouden met de Raad om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen in zijn procedure. Dat appellant de brief laat heeft ontvangen ontslaat hem niet van de verplichting om binnen de resterende termijn de gronden van het hoger beroep in te dienen. Als appellant in de onmogelijkheid verkeerde om de gronden tijdig in te dienen, had het op zijn weg gelegen om zich binnen de gestelde termijn tot de Raad te wenden voor een verzoek om verlenging van de termijn.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.R. Daman

VC