Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3024

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
16-2351 AKW-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad veroordeelt de Staat tot betaling van schadevergoeding en in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2351 AKW-S

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 19 september 2019

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 maart 2016, 15/3656.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

Ter zitting heeft appellant verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Bij uitspraak van 9 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1590, heeft de Raad uitspraak gedaan op het hoger beroep van appellant.

Op het verzoek om schadevergoeding wordt bij deze uitspraak beslist. Daarbij heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 21 januari 2015 (primair besluit) heeft de Svb vastgesteld dat appellant vanaf 1 januari 2014 aanspraak heeft op 80% van de maximale kinderbijslag. Op 25 februari 2015 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 8 juli 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 7 maart 2016 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 mei 2019 heeft de Raad die uitspraak bevestigd.

2.1.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep.

2.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

2.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

2.4.

Van omstandigheden die een langere behandelingsduur rechtvaardigen is in het voorliggende geval niet gebleken.

2.5.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de Svb van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van de uitspraak op het hoger beroep zijn vier jaar en ongeveer drie maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de Svb ruim vier maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn uitsluitend in de rechterlijke fase is geschonden. Daarom dient de Staat te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant ten bedrage van € 500,-.

3. Er is aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant, voor zover gemoeid met het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze worden begroot op € 256,- (1 punt voor verschijnen ter zitting, factor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan
    appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 256,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2019.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) H. Achtot

ew