Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
18-2031 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindigingsbeslissing blijft terecht ongewijzigd van kracht omdat appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Deugdelijke medische grondslag. De geselecteerde zijn in medisch opzicht voor appellant geschikt. Niet aannemelijk dat appellant door de gestelde kleurenblindheid een wezenlijke beperking heeft voor het verrichten van arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2031 ANW

Datum uitspraak: 19 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2018, 17/5379 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Aytemür, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend, nog een reactie en nadere stukken ingezonden.

Appellant heeft aanvullende gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aytemür en door de tolk E. Battaloglu. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na het overlijden van zijn echtgenote heeft de Svb appellant bij besluit van 16 mei 2011 een nabestaandenuitkering toegekend op de grond dat zijn jongste kind tot zijn huishouden behoorde, niet gehuwd was en jonger was dan achttien jaar.

1.2.

Omdat het jongste kind op [datum] 2015 de leeftijd van achttien jaar bereikte, heeft de Svb bij besluit van 1 september 2015 de nabestaandenuitkering met ingang van 1 oktober 2015 ingetrokken.

1.3.

Appellant heeft op 29 oktober 2015 de Svb bericht dat hij zich meer dan 45% arbeidsongeschikt acht en dat de ingangsdatum van zijn ziekte 1 september 2015 is. Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vervolgens een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Op grond van rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige heeft het Uwv de Svb geadviseerd om appellant niet aan te merken als arbeidsongeschikt in de zin van de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.4.

Bij besluit van 4 januari 2016 heeft de Svb aan appellant laten weten dat de beëindigingsbeslissing van 1 september 2015 ongewijzigd van kracht blijft omdat appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.

1.5.

Bij besluit van 1 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 januari 2016 ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet gegeven de verrichte onderzoeksactiviteiten geen aanleiding om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig te achten. Zowel wat betreft de psychische klachten als wat betreft de fysieke klachten is er vrijwel geen verschil tussen wat de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep aannemen en wat appellant zelf benoemt en uit de stukken van de behandelend sector naar voren komt omtrent de situatie rondom de datum in geding. Nu er geen grond is om de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist te achten worden de geselecteerde functies medisch gezien geschikt geacht. Het verzoek van appellant om een deskundigenonderzoek wordt afgewezen, omdat er geen (medische) documenten of anderszins gegevens naar voren zijn gebracht die de rechtbank doen twijfelen aan de bevindingen uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat met name zijn beperkingen als gevolg van zijn slaapstoornis en zijn vingerdefecten in combinatie met ernstige tremoren zijn onderschat. Verder is ten onrechte geen beperking opgenomen voor zien, terwijl appellant mogelijk al langer last heeft van kleurenblindheid. Appellant zou in verband met zijn beperkingen niet in staat zijn de geduide functies te vervullen. Verder zou hij geen getuigschrift van het basisonderwijs hebben en de Nederlandse taal onvoldoende beheersen.

3.2.

De Svb heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wettelijk kader

4.1.1.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is, recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

4.1.2.

Volgens vaste rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.

4.2.

Schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid

4.2.1.

Dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in de kern een herhaling van wat in bezwaar en beroep is aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden gemotiveerd besproken. De Raad kan zich vinden in de overwegingen en de daarop gebaseerde conclusie van de rechtbank zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak. Gelet op de voorhanden zijnde gedingstukken berust het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag. Appellant heeft geen stukken in het geding gebracht die op dit punt twijfel doen ontstaan. In de FML is met alle bij appellant bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid in voldoende mate rekening gehouden. Hierbij is nog van belang dat uit informatie van de behandelend sector blijkt dat er van uit moet worden gegaan dat appellant in verband met zijn slaapstoornis ongeveer negen uur per etmaal slaap nodig heeft. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 10 december 2015 op goede gronden overwogen dat bij deze slaapbehoefte er in principe ruimte is voor een normale arbeidsduur, zij het dat avond- en nachtdiensten en onregelmatige diensten niet mogelijk worden geacht. Wat betreft de gestelde kleurenblindheid van appellant overweegt de Raad dat appellant noch bij de verzekeringsarts, noch bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep, noch bij de rechtbank kleurenblindheid heeft benoemd. De Raad acht daarom niet aannemelijk dat appellant op dit punt een wezenlijke beperking heeft voor het verrichten van arbeid.

4.2.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML is de rechtbank terecht van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft in zijn rapport van 15 december 2015 op toereikende wijze gemotiveerd dat de bij de functies voorkomende signaleringen aan die geschiktheid niet in de weg staan.

4.2.3.

Voor zover appellant met zijn aanvullende gronden heeft willen betogen dat de belastende factoren van de verschillende geduide functies in het CBBS zijn onderschat, overweegt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1737, dat van alle functies functiebeschrijvingen aanwezig zijn die zijn gebaseerd op arbeidskundig onderzoek, onder andere bestaande uit interviews over de functie en waarnemingen en metingen bij het uitoefenen van de functie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de hem geduide functies andere of zwaarder belastende factoren zijn verbonden dan opgenomen in de functiebeschrijvingen.

4.2.4.

De Raad ziet ook overigens geen aanleiding om de geduide functies op arbeidskundige gronden ongeschikt te achten. Appellant heeft in Turkije de basisschool afgerond en enkele jaren vervolgonderwijs genoten. Terecht is zijn opleidingsniveau op 2 gesteld. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 17 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:70) wordt verder overwogen dat er in redelijkheid van mag worden uitgegaan dat appellant in staat is om de Nederlandse taal in voldoende mate binnen zes maanden mondeling te beheersen. Niet gebleken is dat appellant als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek deze bekwaamheid niet zou kunnen verwerven.

5. Conclusie

5.1.

Op grond van wat onder 4.2 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.2.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M. Graveland

rh