Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
17/6299 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5273, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft terecht geen reden gezien om het ouderdomspensioen van appellant te herzien naar dat voor een ongehuwde, omdat niet is gebleken dat appellant duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6299 AOW

Datum uitspraak: 19 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2017, 16/7342 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M.C. Rooijers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf [datum] 2013 een ouderdomspensioen voor een gehuwde met toeslag op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW). Bij formulier van 8 januari 2016 heeft appellant de Svb bericht dat hij vanaf 7 december 2015 niet meer op hetzelfde adres als zijn echtgenote woont en dat zij zijn gescheiden van tafel en bed sinds 30 juni 2015.

1.2.

Bij besluit van 29 juni 2016, in stand gelaten bij beslissing op bezwaar van 13 oktober 2016 (bestreden besluit), heeft de Svb de toeslag op het ouderdomspensioen herzien en de te veel betaalde toeslag van € 3.945,31 over de periode van februari tot en met juni 2016 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant vanaf februari 2016 gelet op het inkomen van zijn echtgenote niet meer in aanmerking komt voor een toeslag. De Svb heeft geen reden gezien om het ouderdomspensioen van appellant te herzien naar dat voor een ongehuwde, zoals appellant heeft verzocht, omdat niet is gebleken dat appellant duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad over het toetsingskader bij artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat appellant en zijn echtgenote ieder afzonderlijk hun eigen leven leiden als waren zij niet met de ander gehuwd. De rechtbank heeft daarbij de feiten en omstandigheden van belang geacht zoals deze blijken uit wat appellant op 8 januari 2016 op het formulier “Onderzoek woonsituatie” heeft verklaard, wat appellant bij de telefonische hoorzitting op 26 augustus 2016 heeft verklaard en wat appellant in zijn brief van 23 september 2016 aan de Svb heeft verklaard. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen dringende redenen naar voren heeft gebracht op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering van de te veel betaalde toeslag.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Hij wijst er in hoger beroep opnieuw op dat hij is gescheiden van tafel en bed en dat hij en zijn echtgenote hun leven leiden als waren zij niet met elkaar gehuwd.

3.2.

Volgens de Svb wijzen de feiten en omstandigheden erop dat de relatie tussen appellant en zijn echtgenote verder gaat dan een uitsluitend zakelijke relatie, zodat ondanks het gescheiden zijn van tafel en bed, geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van

25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) is van duurzaam gescheiden leven eerst sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden.

4.1.2.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2400) kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van het huwelijk de betrokkenen de intentie hebben − al dan niet op termijn − een echtelijke samenleving aan te gaan, maar dat niet valt uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om duurzaam gescheiden leven aan te nemen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van

9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932) kan de echtelijke samenleving bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven niet relevant (vergelijk de uitspraken van de Raad van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093).

4.1.3.

Bij scheiding van tafel en bed is geen sprake van ontbinding van het huwelijk. De AOW-gerechtigde ontvangt in zo’n geval een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde tenzij sprake is van duurzaam gescheiden leven.

4.2.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak op goede gronden tot het oordeel gekomen dat in de situatie van appellant geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de gronden waarop dat oordeel berust en verwijst daarnaar. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en wat in essentie een herhaling vormt van wat appellant in beroep heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Ook de Raad hecht er belang aan dat appellant op het formulier over zijn woon- en leefsituatie op 8 januari 2016 heeft verklaard dat hij eenmaal per jaar met zijn echtgenote op vakantie gaat, dat zij gezamenlijke activiteiten ondernemen, dat appellant € 700,- per maand in het levensonderhoud van zijn echtgenote bijdraagt en dat zij een sleutel van elkaars woning hebben. De Raad is niet gebleken dat appellant niet aan deze verklaring kan worden gehouden. Verder blijkt uit wat appellant op 26 augustus 2016 en 23 september 2016 heeft verklaard, dat hij en zijn echtgenote elkaar regelmatig zien ondanks het feit dat de echtgenote een groot deel van het jaar in Amerika verblijft en appellant daar minder vaak komt. Als appellant en zijn echtgenote beiden in Amerika zijn, treffen zij elkaar twee tot drie keer per week en dineren zij één tot twee keer per week samen. Verder hebben appellant en zijn echtgenote met een wisselende frequentie telefonisch contact, soms vier keer per dag en soms dagen achtereen niet. Volgens appellant gaat het deels ook om zakelijke contacten, maar hij heeft niet op controleerbare wijze inzicht in het te maken onderscheid gegeven. Appellant gebruikt de sleutel van de woning van zijn echtgenote in Nederland om daar de post op te halen en te beoordelen of er dringende zaken bij zitten. Gezien al deze feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat bij appellant sprake was van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving.

4.3.

Uit wat bij 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter, J.J.T. van den Corput en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

rh