Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
18/3893 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:4747, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De directeur heeft ten onrechte de nabetaling van bezoldiging van betrokkene met toepassing van artikel 26 IBBAD gekort, wegens ongeschiktheid van betrokkene wegens ziekte. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3253) bepaalt niet de bedrijfsarts, maar het bestuursorgaan (hier de toenmalige commandant van betrokkene) of een ambtenaar ziek of hersteld wordt gemeld. De bedrijfsarts heeft hierin slechts een adviserende rol. Uit het overzicht ziekteverzuim blijkt dat betrokkene hersteld is gemeld. Uit de gedingstukken blijkt niet dat betrokkene op een later tijdstip is ziekgemeld, ook niet nadat dat betrokkene de toegang tot zijn werkplek is ontzegd. Ook de bedrijfsarts heeft opgemerkt dat betrokkene in het systeem niet meer als ziek is geregistreerd. Anders dan de directeur heeft betoogd, dienen de gevolgen hiervan voor rekening van de directeur te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3893 AW

Datum uitspraak: 19 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
15 juni 2018, 17/4739 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam directeur] (directeur)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens de directeur heeft mr. drs. A.J. Verdonk, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. V.M. Weski, advocaat, een verweerschrift ingediend.

De directeur heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. De directeur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Verdonk. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Weski.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is aangesteld als burgerambtenaar op grond van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard). Na een reorganisatie was hij vanaf 1 oktober 2010 werkzaam als [naam functie 1] bij de afdeling [naam afdeling] ( [naam afdeling] ) te [vestigingsplaats], waar hij zich eerst moest inwerken als [naam functie 2] om na november 2010 te kunnen overgaan naar de functie [naam functie 3] . Op 27 augustus 2010 heeft betrokkene zich ziekgemeld. Hij heeft zijn werkzaamheden weer hervat op 30 augustus 2010, waarna hij zich op 1 september 2010 weer heeft ziekgemeld. Op 6 september 2010 heeft hij zijn werk weer hervat. Op 13 september 2010 heeft hij zich wederom ziekgemeld. Hij heeft toen zijn werk hervat op 16 september 2010. Nadat betrokkene zich op 20 september 2010 met psychische klachten had ziek gemeld, heeft hij vanaf oktober 2010 gedeeltelijk en vanaf 29 november 2010 volledig zijn werk hervat, onder voortzetting van de verzuimbegeleiding ter voorkoming van terugval.

1.2.

Begin december 2010 zijn bij V, [manager] binnen de [naam afdeling] , meldingen binnengekomen over de vermissing van kleine persoonlijke goederen en kantoorartikelen, waaronder parfumflesjes, een perforator en een aantal ordners. Op

13 december 2010 heeft betrokkene uit eigen beweging aan V en een collega opgebiecht dat hij parfumflesjes, ordners en een perforator heeft weggenomen. V heeft direct daarop de Koninklijke Marechaussee (KMar) ingelicht. Na een kort gesprek heeft de KMar betrokkene overgebracht naar Rotterdam en aldaar als verdachte gehoord. Op dezelfde dag heeft een collega van betrokkene aangifte gedaan van diefstal van een flesje parfum en V van diefstal van een perforator en ordners. Betrokkene is na zijn verhoor en een gesprek met de unitmanager de toegang tot zijn werkplek ontzegd. Van 14 december 2010 tot 24 december 2010 is betrokkene met ernstige psychische klachten opgenomen in een crisisopvangcentrum.

1.3.

Bij besluit van 9 februari 2011 is betrokkene met toepassing van artikel 109, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bard geschorst met ingang van 13 december 2010.

1.4.

Betrokkene heeft op 2 februari 2011 de bedrijfsarts bezocht. Uit het verslag van de bedrijfsarts blijkt dat betrokkene niet kan re-integreren vanwege zijn schorsing. De bedrijfsarts acht betrokkene op grond van een discrepantie tussen zijn opleidingsniveau en huidige functieniveau volledig functie-ongeschikt. Daarbij heeft de bedrijfsarts vermeld dat dit echter niet wil zeggen dat betrokkene arbeidsongeschikt is.

1.5.

Bij besluit van 26 april 2011 (ontslagbesluit) heeft de Minister van Defensie (minister) aan betrokkene de disciplinaire straf van ontslag opgelegd met ingang van 1 juli 2011 op grond van artikel 100, eerste lid, aanhef en onder l, van het Bard.

1.6.

Op advies van de bedrijfsarts heeft een arbeidsdeskundige van het bureau Bijzondere Medische Beoordelingen (BMB) onderzoek verricht. Gelet op de functiemogelijkhedenlijst van 26 mei 2011 en in overleg met de bedrijfsarts heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 30 mei 2011 geconcludeerd dat betrokkene ongeschikt wordt geacht voor zijn eigen functie vanwege beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Op 26 mei 2011 heeft betrokkene een geneeskundig onderzoek ondergaan. De arts BMB heeft, na overleg met de arbeidsdeskundige, op 7 juli 2011 geconcludeerd dat betrokkene ongeschikt is voor zijn eigen functie aangezien hij langdurig en essentieel beperkt is ten aanzien van de werkzaamheden behorende bij deze functie.

1.7.

Bij besluit van 17 februari 2012 heeft de minister het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

1.8.

Bij uitspraak van de rechtbank van 25 februari 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1356) is het beroep van betrokkene tegen het besluit van 17 februari 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1285) heeft de Raad die uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het besluit van 17 februari 2012 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het ontslagbesluit herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 17 februari 2012.

1.9.

Bij besluit van 29 augustus 2016 is, met toepassing van artikel 26 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (IBBAD), de bezoldiging van betrokkene met ingang van 24 september 2011 verlaagd tot 70% van de laatstgenoten bezoldiging. Daartoe is overwogen dat betrokkene sinds 27 augustus 2010 als gevolg van ziekte zijn functie niet of slechts gedeeltelijk heeft uitgeoefend.

1.10.

Bij besluit van 3 juli 2017 (bestreden besluit) heeft de directeur het bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 29 augustus 2016 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 3 juli 2017. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van de IBBAD.

3. In hoger beroep heeft de directeur zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de directeur met ingang van 24 september 2011 de nabetaling van bezoldiging van betrokkene met toepassing van artikel 26 IBBAD mocht korten, wegens ongeschiktheid van betrokkene wegens ziekte vanaf 27 augustus 2010.

4.2.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van het IBBAD heeft de ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte vanaf de dag waarop deze ongeschiktheid aanvangt, gedurende een termijn van twaalf maanden aanspraak op zijn volledige bezoldiging. Vervolgens heeft hij tot het einde van zijn betrekking aanspraak op 70% van zijn bezoldiging.

4.3.

Ingevolge artikel 26, derde lid, van het IBBAD, voor zover van belang, wordt voor het vaststellen van het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde termijn van twaalf maanden verstreken is, de perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3253) bepaalt niet de bedrijfsarts, maar het bestuursorgaan (hier de toenmalige commandant van betrokkene) of een ambtenaar ziek of hersteld wordt gemeld. De bedrijfsarts heeft hierin slechts een adviserende rol. De Raad stelt vast dat uit het overzicht ziekteverzuim blijkt dat betrokkene op 29 november 2010 hersteld is gemeld. Uit de gedingstukken blijkt niet dat betrokkene op een later tijdstip is ziekgemeld, ook niet na

13 december 2010, de dag dat betrokkene de toegang tot zijn werkplek is ontzegd. Ook de bedrijfsarts heeft opgemerkt dat betrokkene in het systeem na 29 november 2010 niet meer als ziek is geregistreerd. Anders dan de directeur heeft betoogd, dienen de gevolgen hiervan, gelet op de uitspraak van 1 september 2016, voor rekening van de directeur te komen.

4.5.

De Raad betrekt verder in zijn overwegingen dat de korting van de bezoldiging doorwerkt over de gehele periode van de nabetaling en dat achteraf niet kan worden vastgesteld hoe de re-integratie van betrokkene zou zijn verlopen. Betrokkene mocht na 13 december 2010 zijn werkzaamheden om disciplinaire redenen niet hervatten. Hierdoor kon betrokkene niet

re-integreren, terwijl daar gelet op het rapport van de bedrijfsarts van 2 februari 2011 wel aanleiding voor was. Dit disciplinaire traject heeft geleid tot een ontslag per 1 juli 2011 dat door de Raad bij zijn onder 1.8 genoemde uitspraak van 7 april 2016 is vernietigd en herroepen. Zonder dit disciplinaire traject en zonder dit ontslag had betrokkene mogelijk de korting op zijn bezoldiging, na een succesvol re-integratietraject, kunnen voorkomen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van de directeur niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat de directeur te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.024,- en € 31,20 aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de directeur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-;
- bepaalt dat van de directeur een griffierecht van € 508,- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en
J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F. Demiroğlu

ew