Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:3001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
19/3527 PW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang nu verzoek ziet op betaling van bijstand over een periode in het verleden en verzoeker inmiddels weer bijstand ontvangt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/17 met annotatie van R. Stijnen, J.G. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/3527 PW-VV

Datum uitspraak: 17 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juni 2019, 18/4014, en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker heeft, na eerdere intrekking van de bijstand, op 25 juni 2018 een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet ingediend. Bij die aanvraag heeft hij op het formulier ‘Inlichtingen en opgave aanvraag verblijfslocatie(s) dak- en thuislozen’ van 30 juli 2018 verklaard in zijn auto te verblijven op een parkeerplaats aan de [adres] van

’s avonds 22:00 uur tot 6:00 / 6:30 uur in de ochtend.

1.2.

Bij besluit van 16 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 oktober 2018, heeft het college de aanvraag om bijstand van verzoeker afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker bij locatiebezoeken op 13, 14 en 15 augustus 2018 niet is aangetroffen op de door hem opgegeven locatie. De auto van verzoeker is op 14 augustus en 15 augustus 2018 wel aangetroffen op een adres in [gemeente] . Verzoeker heeft geen juiste opgave gedaan van zijn feitelijke verblijfplaats waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker een substantieel voorschot wordt toegekend op het gestelde recht op bijstand over de periode van 25 juni 2018 tot 5 november 2018.

4.1.

Op grond van artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraken van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764, en van 21 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4228) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van zogenoemde kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

4.3.

Verzoeker heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat verzoeker geld heeft moeten lenen om in zijn levensonderhoud te voorzien en dat de schuldeisers hem meer en meer onder druk zetten. Voorts leidt de schuldenlast van verzoeker bij hem tot suïcidale uitingen.

4.4.

De financiële positie van verzoeker levert geen grond op voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Hierbij wordt met name van belang geacht dat verzoeker al sinds 5 november 2018 weer bijstand naar de voor hem geldende bijstandsnorm ontvangt en het verzoek enkel ziet op betaling van bijstand over een periode in het verleden. Voorts heeft verzoeker zijn stelling dat hij geld heeft geleend en dat zijn schuldeisers hem onder druk zetten om terug te betalen, niet met stukken onderbouwd. Weliswaar heeft verzoeker verder gesteld dat zijn auto vanwege niet betaalde boetes in beslag is genomen en dat hij hierdoor niet meer in zijn auto kan slapen, maar gebleken is dat verzoeker gebruik maakt van de nachtopvang. De stelling dat in deze nachtopvang sprake is van een dreigende sfeer, wat hier ook van zij, levert geen spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening over de periode in het verleden op. Voorts is met de overgelegde verklaring van de huisarts de stelling van verzoeker dat sprake is van spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening in verband met het feit dat zijn schuldenlast leidt tot suïcidale uitingen, onvoldoende onderbouwd.

4.5.

Wat onder 4.4 is overwogen leidt ertoe dat bij dit verzoek onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ontbreekt. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

4.6.

Het verzoek is gelet op 4.1 tot en met 4.5 kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) A.A.H. Ibrahim