Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2995

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
18/3508 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3981, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Onvoldoende duidelijkheid verschaft over feitelijke verblijfplaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3508 PW

Datum uitspraak: 17 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 mei 2018, 17/6930 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C. Scheermeijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2019. Namens appellant is verschenen mr. Scheermeijer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.A. Karreman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 23 februari 2017 gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) en heeft op 4 april 2017 een aanvraag ingediend. Daarbij heeft appellant een postadres opgegeven. Dat is het adres van de [naam Stichting] , een instelling voor maatschappelijke opvang die uitsluitend voorziet in dagopvang. Het college heeft appellant bij brief van 20 april 2017 onder meer verzocht om met gebruikmaking van de “formulieren voor personen met wisselende verblijfplaats” een overzicht te verstrekken van zijn verblijfplaatsen vanaf 23 februari 2017. Appellant heeft die formulieren niet volledig ingevuld. Bij besluit van 5 mei 2017 heeft het college appellant een voorschot verstrekt van € 600,20.

1.2.

Bij besluiten van 11 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen en het voorschot teruggevorderd. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant de inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen, omdat hij onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke verblijfplaatsen vanaf 23 februari 2017. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 23 februari 2017, de datum van de melding, tot en met 11 mei 2017, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient onder meer de nodige duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en verblijfplaats. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Vaststaat dat appellant de “formulieren voor personen met wisselende verblijfplaats” niet volledig heeft ingevuld en daarmee geen volledige opgave heeft gedaan van zijn feitelijke verblijfplaatsen. Ook in de bezwaarfase heeft appellant, hoewel daar door het college bij brief van 11 oktober 2017 expliciet om was verzocht, geen nadere informatie verschaft over zijn feitelijke verblijfplaatsen.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Volgens appellant had het college met toepassing van artikel 40, tweede lid, van de PW de betaling van de bijstand moeten opschorten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens artikel 40, tweede lid, van de PW, schort het college de betaling van de bijstand op, indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen is ingeschreven. Hiervan is in het geval van appellant geen sprake.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2019.

(getekend) A. Stehouwer

De griffier is verhinderd te ondertekenen.