Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
15/3320 WIA-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Vordering betrekking hebbend op de immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn en op nader gespecificeerde schade tot een bedrag van € 725,90 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/475
USZ 2019/324
JB 2019/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3320 WIA-S

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

Stichting Zorggroep Noord- en Midden-Limburg te Venlo (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 4 september 2019

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 23 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3689) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 april 2015 (15/1793) vernietigd en bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door verzoekster gevraagde schadevergoeding.

Namens verzoekster heeft J.A.M. Houberg verzocht om schadevergoeding en daarbij een specificatie overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft een nadere reactie ingediend.

Partijen hebben verklaard af te zien van een nadere zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 25 november 2013 heeft het Uwv geweigerd aan een werkneemster van verzoekster een IVA-uitkering te verstrekken. Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 29 april 2014 ongegrond verklaard.

1.2.

Bij de uitspraak van 23 november 2018 heeft de Raad het beroep van verzoekster gegrond verklaard, het besluit van 29 april 2014 vernietigd, het primaire besluit van 25 november 2013 herroepen en bepaald dat de werkneemster vanaf 25 oktober 2013 recht heeft op een
IVA-uitkering.

1.3.

In deze uitspraak is verder bepaald dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de materiële schadevergoeding het onderzoek wordt heropend. Daarbij is overwogen dat al vaststaat dat de zogenoemde redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat pas bij de uitspraak op het verzoek om schadevergoeding kan worden vastgesteld in welke mate de redelijke termijn is overschreden.

1.4.

In de uitspraak van 23 november 2018 heeft de Raad ook een gemotiveerde beslissing genomen over de door verzoekster gevraagde integrale vergoeding van de kosten van de inschakeling van J.A.M. Houberg , arbeidsdeskundige en van drs. D.C. Heijstek,
bedrijfs-medisch adviseur.

1.5.

Desgevraagd heeft verzoekster bij brief van 28 januari 2019 nader toegelicht dat de vordering betrekking heeft op de immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn en op nader gespecificeerde schade tot een bedrag van € 725,90. Het betreft kosten van de inzet van de procesbeheerder WIA van verzoekster over de periode van

29 november 2013 tot november 2018.

1.6.

Het Uwv heeft op hierna te bespreken gronden bepleit dat de vorderingen worden afgewezen.

1.7.

Bij brief van 10 maart 2019 heeft verzoekster de Raad gevraagd de uitspraak van
23 november 2018 aan te passen op het punt van de gevorderde kosten van Heijstek en die kosten alsnog toe te kennen.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Niet in geschil is dat het besluit van

25 november 2013 een onrechtmatig besluit was en dat de schade van verzoekster die door dit besluit is veroorzaakt voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komt.

2.2.

Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het Uwv, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 8 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1103).

2.3.1.

Verzoekster heeft een bedrag van € 725,90 gevorderd aan kosten van de inzet van de procesbeheerder WIA van verzoekster. Uit de overgelegde specificatie blijkt dat het gaat om bestede uren van deze functionaris die verband houden met de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedure.

2.3.2.

Het Uwv heeft de verschuldigdheid van deze kosten bestreden en aangevoerd dat het gaat om personeelskosten van verzoekster, die verzoekster ook zou hebben gehad zonder de procedure en zonder het onrechtmatige besluit. Volgens het Uwv lijken de kosten betrekking te hebben op activiteiten van Incentivo, de organisatie die de procedures namens verzoekster heeft gevoerd, en dat die kosten daarom vallen onder de al toegekende proceskostenveroordeling. Bovendien heeft het Uwv vragen gesteld bij de hoogte van de kosten en gesteld dat het kosten zijn die in een normaal maatschappelijk verkeer voor eigen rekening van verzoekster zouden moeten blijven. Van de zijde van verzoekster zijn de argumenten van het Uwv niet inhoudelijk bestreden.

2.3.3.

Uit de specificatie van de gevorderde kosten blijkt dat het voor het grootste deel gaat om werkzaamheden die verband houden met de gevoerde procedure. Voor zover deze kosten verband houden met de door Incentivo verleende rechtsbijstand in de procedure, komen ze reeds niet voor vergoeding in aanmerking, omdat ze zijn begrepen in de proceskostenveroordeling die ten laste van het Uwv is uitgesproken. Voor zover de kosten daar niet onder vallen, is uit de specificatie niet aanstonds duidelijk geworden of het gebruikelijke loonkosten betreft die ook zonder de procedure voor rekening van verzoekster dienen te blijven, of dat sprake is van specifieke kosten die zonder de procedure niet of niet in die omvang zouden zijn gemaakt. Verzoekster heeft ervoor gekozen om af te zien van een nadere zitting en heeft de door het Uwv aangevoerde argumenten tegen de opgevoerde kostenposten niet inhoudelijk bestreden. Daarom is de geschetste onduidelijkheid blijven bestaan en kan in het midden blijven of de schade als gevolg van het besluit van 30 juli 2014 aan het Uwv kan worden toegerekend, omdat de vordering door verzoekster onvoldoende is onderbouwd.

2.4.

Voor zover verzoekster met de stelling over de kosten van Heijstek beoogt dat de aangevallen uitspraak wordt gerectificeerd, wordt vastgesteld dat, gelet op de onderbouwing van die stelling, geen sprake is van een kennelijke misslag. Voor zover verzoekster met die stelling beoogt dat de Raad de uitspraak van 21 november 2018 herziet, kan verzoekster een daarop gericht en overeenkomstig artikel 8:119 van de Awb onderbouwd verzoek doen. Daarbij wordt erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het rechtsmiddel van herziening niet gegeven is om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen (zie de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7982), maar er in beginsel toe strekt om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren (zie de uitspraak van de Raad van 19 november 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8180).

2.5.1.

Verzoekster heeft vergoeding gevorderd van de immateriële schade geleden door overschrijding van de zogenoemde redelijke termijn. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is aangevangen met de ontvangst op 19 december 2013 door het Uwv van het bezwaarschrift van verzoekster tegen het besluit van 25 november 2013. Tot de datum van deze uitspraak betreffende de schadevergoeding is een periode van meer dan vijfeneenhalf jaar verstreken. Daarmee is de redelijke termijn van in beginsel vier jaar in een bestuursrechtelijke procedure in drie instanties overschreden.

2.5.2.

Het is vaste rechtspraak dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, wordt verondersteld dat een belanghebbende natuurlijk persoon immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Verzoekster is geen natuurlijk persoon, maar een rechtspersoon. Het is eveneens vaste rechtspraak

(zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:610) dat de vraag of aan een belanghebbende rechtspersoon vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend onder meer afhankelijk is van de schade aan de goede naam van de onderneming, van de onzekerheid bij het uitzetten van de koers van het bedrijf, de verstoring van de aansturing van het bedrijf en, zij het in mindere mate, van de onzekerheid en het ongemak bij leden van het management.

2.5.3.

Het Uwv heeft bij verweer gesteld dat de vordering van verzoekster moet worden afgewezen omdat verzoekster niet heeft onderbouwd dat aan de in de voorgaande overweging gestelde eisen is voldaan. Van de zijde van verzoekster is dit standpunt niet bestreden.

2.5.4.

Verzoekster heeft niets naar voren gebracht waaruit volgt dat de te lange duur van de procedure haar immateriële schade in de hiervoor omschreven vorm heeft berokkend. Dat betekent dat ook het op artikel 6 van het EVRM gebaseerde verzoek om schadevergoeding als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen.

2.6.

Uit wat in 2.3.1 tot en met 2.5.4 is overwogen volgt dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en H.G. Rottier en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) M.D.F. de Moor

md