Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2990

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
17/4961 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Geen twijfel aan de juistheid van de in de FML vastgelegde belastbaarheid van appellant. Voldoende gemotiveerd dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4961 WIA

Datum uitspraak: 12 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

24 mei 2017, 15/1588 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.G.C. van Ingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is tot 6 oktober 2009 werkzaam geweest als assistent accountant. Met ingang van deze datum heeft hij een uitkering op grond van de Werkloosheidwet ontvangen. Op 15 mei 2010 heeft hij zich ziek gemeld. Bij besluit van 13 maart 2012, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 16 augustus 2012, heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 14 mei 2012 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Door de uitspraak van de Raad van 19 augustus 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3157) staat deze weigering vast.

1.2.

Appellant heeft zich per 1 juli 2014 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 4 december 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 1 juli 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Bij besluit van 24 april 2015 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 december 2014 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen van appellant weliswaar per 1 juli 2014 zijn toegenomen vergeleken met de beoordeling per 14 mei 2012, maar dat hij, met inachtneming van de vastgestelde beperkingen, in staat moet worden geacht om de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen en dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant als gevolg van ziekte of gebrek heeft onderschat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 22 maart 2015 in voldoende mate rekening gehouden met de klachten en beperkingen van appellant. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank geen reden gezien de geschiktheid in medisch opzicht van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 19 september 2016 geselecteerde functies in twijfel te trekken. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv naar aanleiding van de uitspraak van de Raad het maatmaninkomen heeft aangepast en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nieuwe functies heeft geselecteerd, wat leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 33,31%. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de thans geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant omdat, gelet op de aard van de werkzaamheden, er gelegenheid bestaat het werkproces te onderbreken voor toiletbezoek zonder dat het werkproces daarvan schade ondervindt. De stelling van appellant dat hij niet voldoet aan de opleidingseis diploma VMBO theoretische leerweg heeft de rechtbank niet gevolgd omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 30 november 2016 inzichtelijk heeft uiteengezet dat appellant in Nederland opleidingen heeft gevolgd – die hij heeft afgesloten met een diploma – die op een hoger niveau liggen dan de gevraagde VMBO theoretische leerweg.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich verder beperkt acht dan door het Uwv is aangenomen en dat zijn beperkingen onvoldoende zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 november 2014. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de brief van 4 maart 2018 van MDL-arts dr. R.M. Schreuder. Ook acht appellant de geselecteerde functies niet passend omdat bij geen van de functies is aangetoond dat er een toilet is in de nabijheid van de functies. Het stond het Uwv bovendien niet vrij om aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 juli 2014 andere functies ten grondslag te leggen dan aan de beoordeling per 14 mei 2012.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 augustus 2017 en van 15 juli 2019 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 september 2017, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 1 juli 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep over de medische grondslag van het bestreden besluit heeft aangevoerd is vrijwel gelijkluidend aan zijn beroepschrift in eerste aanleg en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de gronden in beroep gemotiveerd besproken en op grond daarvan in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de in de FML van 19 november 2014 vastgelegde belastbaarheid van appellant. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden geheel onderschreven. In reactie op de door appellant in hoger beroep ingediende medische informatie, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat uit deze informatie geen nieuwe medisch inhoudelijke aspecten naar voren komen. Deze conclusie is in het rapport afdoende gemotiveerd.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen, wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn en deze functies aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. De overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden eveneens geheel onderschreven. Op basis van de beschikbare gegevens is voldoende gemotiveerd dat appellant op 1 juli 2014 op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen. Verwezen wordt naar het arbeidskundig rapport van 13 september 2017, waarin dit inzichtelijk en overtuigend is toegelicht. Appellant wordt niet gevolgd in het standpunt dat het Uwv de eerder geselecteerde functies ten onrechte heeft vervangen in de loop van het geding. Gelet op de in 4.1 geformuleerde rechtsvraag is de vraag aan de orde of appellant, uitgaande van zijn beperkingen, per 1 juli 2014 in staat is met passend werk een zodanig inkomen te verdienen dat zijn verlies aan verdiencapaciteit onder de 35% blijft. Ter zitting heeft het Uwv afdoende toegelicht dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar aanleiding van het gewijzigde maatmanloon opnieuw het verlies aan verdienvermogen heeft berekend zoals dat in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is voorgeschreven en opnieuw onderzoek heeft plaatsgehad naar functies met de hoogste loonwaarde per datum in geding. Het standpunt van het Uwv dat zodanig onderzoek en beoordeling past bij een zorgvuldige arbeidskundige beoordeling wordt onderschreven. Die beoordeling vloeit voort uit het oordeel van de Raad in de onder 1.1 vermelde procedure. Van het ongeoorloofd gebruikmaken van een bevoegdheid, zoals door appellant gesteld, is geen spake.

4.4.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.1.

Over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.

5.2.

Voor de wijze van beoordeling van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

5.3.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vangt aan op het moment dat er − op zijn minst − een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten (zie de uitspraak van de Raad van 4 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643). Doorgaans is dit het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

5.4.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 8 januari 2015 tot de datum van deze uitspraak is ruim vier jaar en acht maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna vier maanden geduurd, dus hier was geen overschrijding van de redelijke termijn. Nu de totale behandelingsduur vier jaar mocht bedragen, terwijl tot de datum van deze uitspraak ruim vier jaar en acht maanden zijn verstreken, is deze thans met ruim acht maanden overschreden, welke overschrijding voor rekening komt van de bestuursrechter. In de omstandigheden van het geval is geen aanleiding om deze overschrijding geheel of ten dele gerechtvaardigd te achten. Dit leidt tot een veroordeling van de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-.

6. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Deze worden begroot op € 256,- voor kosten van rechtsbijstand. Voor vergoeding van de overige proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan

appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten

van appellant tot een bedrag van € 256,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) C.I. Heijkoop

KS