Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
17/2273 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht, worden geheel onderschreven. Ook het oordeel van de rechtbank over de juistheid van de vastgestelde beperkingen wordt onderschreven. Geen aanleiding voor het inschakelen onafhankelijke deskundige. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant en voldoende actueel. Reductiefactor juist toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2273 WIA

Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

8 februari 2017, 16/2809 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.E.J. Torny, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Torny. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als constructiebankwerker. Op 6 mei 2014 heeft appellant zich ziek gemeld met lichamelijke klachten als gevolg van een verkeersongeval. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant 26,06% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 1 april 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 3 mei 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 14 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 5 september 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 6 oktober 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende beperkingen opgenomen in de FML van 12 september 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de schatting deels andere functies ten grondslag gelegd. Appellant is op basis van de nieuw geselecteerde functies 31,83% arbeidsongeschikt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat volgens vaste rechtspraak het enkele feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant niet zelf heeft onderzocht, niet maakt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. In het rapport van 12 januari 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd waarom de door appellant ingebrachte medische informatie van revalidatiearts H. van der Linde van 22 december 2016 geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. Daarbij is ingegaan op de hoofdbewegingen, de repetitieve hand- en vingerbewegingen en het boven de macht actief zijn. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit rapport toegelicht waarom een urenbeperking niet aangewezen is en waarom beperkingen ten aanzien van het geheugen en concentratie bij appellant niet worden aangenomen. In een nieuwe FML van 12 januari 2017 is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vanwege de dyslexie van appellant een aanvullende beperking aangenomen op schrijven en lezen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee overtuigend gemotiveerd waarom in wat appellant heeft aangevoerd en aan medische gegevens heeft verstrekt, geen aanleiding bestaat om meer beperkingen aan te nemen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapporten van 6 oktober 2016 en 17 januari 2017 voldoende overtuigend per functie heeft gemotiveerd dat appellant medisch gezien in staat is de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De informatie van de behandelend sector had reden moeten zijn voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep om appellant zelf te zien. Daarnaast heeft appellant verwezen naar een artikel waaruit blijkt dat in de periode waarin hij is beoordeeld, door het Uwv veel fouten werden gemaakt. Zijn schouder-, nek-, rug- en knieklachten moeten volgens appellant tot meer en zwaardere beperkingen leiden. Ook met zijn hoofdpijn, concentratieproblemen, vergeetachtigheid en vermoeidheid is onvoldoende rekening gehouden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van revalidatiearts Van der Linde van 31 mei 2017 in het geding gebracht. Voorts verwijst appellant naar de beoordeling door de bedrijfsarts die hem meer beperkt heeft geacht dan door het Uwv wordt aangenomen. Appellant heeft verzocht om benoeming van een deskundige. Verder voert appellant aan dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies medisch gezien niet geschikt zijn. Ten slotte voert hij aan dat bij de functieselectie is uitgegaan van een niet actuele arbeidsmogelijkhedenlijst en dat bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt uitgegaan van de grootste urenomvang van de geselecteerde functies terwijl de meeste functies een lagere urenomvang hebben.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 mei 2017 en naar twee rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 maart 2019 en 31 juli 2019.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd appellant met ingang van 3 mei 2016 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een ander oordeel. Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht, worden geheel onderschreven. De verwijzing van appellant naar een artikel waarin wordt vermeld dat door het Uwv fouten worden gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Appellant heeft hiermee niet aangetoond dat ook bij zijn beoordeling door het Uwv fouten zijn gemaakt.

4.3.

Ook het oordeel van de rechtbank over de juistheid van de vastgestelde beperkingen wordt onderschreven. De brief van de revalidatiearts van 31 mei 2017 geeft geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeldt in zijn rapport van 28 maart 2019 terecht dat een eventuele toename van beperkingen door een tweede ongeluk op 30 januari 2017 niet in de huidige procedure kan worden meegenomen. Uit de brief van de revalidatiearts blijkt niet dat de vermelde beperkte duurbelasting voor repetitieve handelingen ook op 3 mei 2016, de datum in geding, al aanwezig was. Daar komt bij dat appellant, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 31 juli 2019 opmerkt, al beperkt wordt geacht op continu handmatig repetitief belastend productiewerk, frequent reiken en frequent lichte voorwerpen hanteren. De verwijzing van appellant naar de door de bedrijfsarts op 9 juni 2015 vastgestelde belastbaarheid, leidt ook niet tot twijfel aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De beoordeling van de bedrijfsarts is namelijk bedoeld om de re-integratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen en heeft daarmee een ander doel dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA.

4.4.

Omdat geen twijfel bestaat over de zorgvuldigheid en juistheid van de medische beoordeling door het Uwv ziet de Raad geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. Dit verzoek van appellant wordt daarom afgewezen.

4.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft overleg gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de in de functies voorkomende repetitieve hand- en vingerbewegingen.

4.6.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 mei 2017 terecht opgemerkt dat de geselecteerde functies op de datum in geding niet ouder waren dan
24 maanden. Dit betekent dat de geselecteerde functies voldoende actueel waren om aan de schatting ten grondslag te mogen worden gelegd. Gelet op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel uurloonschatting 2008 wordt voor de berekening van de reductiefactor de urenomvang per SBC-code gesteld op de grootste urenomvang van de binnen de SBC-code geselecteerde functies. Het Uwv heeft deze bepaling juist toegepast. De arbeidskundige gronden van appellant slagen dan ook niet.

4.7.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
5 september 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md