Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
16/8145 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de medische situatie van appellante onderschat en is er ten onrechte van uitgegaan dat zij in staat is om acht uur per dag te werken. Vernietiging bestreden besluit. Het Uwv zal de beperkingen van appellante met inachtneming van het oordeel van de Raad moeten aanpassen en vervolgens moeten bezien tot welke gevolgen dit leidt voor de aanspraken van appellante. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 8145 ZW

Datum uitspraak: 12 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 november 2016, 16/2017 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.W.C. Lipman hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2018. Appellante is verschenen, vergezeld van haar ouders en bijgestaan door mr. Lipman. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Vervolgens is het onderzoek heropend. De Raad heeft prof. dr. J.M. van Laar, reumatoloog, benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 26 februari 2019 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijzen op het rapport van de deskundige gegeven.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als lerares speciaal onderwijs voor 16 uur per week. Op 27 mei 2011 heeft zij zich ziek gemeld met klachten aan de rechtervoet. Haar dienstverband is per 9 juli 2011 geëindigd, waarna zij in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per 25 maart 2013 weer geschikt is voor haar eigen werk.

1.2.

Op 22 mei 2013 heeft appellante zich ziek gemeld met buikklachten en vermoeidheidsklachten na een gastric bypass-operatie. Zij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de ZW. In het kader van een zogeheten eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) heeft het Uwv bij besluit van 20 mei 2014 vastgesteld dat appellante per 22 juni 2014 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als lerares speciaal onderwijs, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies, waarmee zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Vervolgens is appellante weer in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW.

1.3.

Appellante heeft zich op 25 juli 2014 opnieuw ziek gemeld met dezelfde buik- en vermoeidheidsklachten. In verband hiermee heeft tussen appellante en een verzekeringsarts van het Uwv telefonisch overleg plaatsgevonden. Deze arts heeft appellante onveranderd geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2014 vastgesteld dat appellante per 25 juli 2014 geen recht heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 januari 2015, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan.

1.4.

Op 8 en 11 oktober 2015 heeft appellante de afdeling Ziektewet van het Uwv gemeld dat zij nog steeds ziek is. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze meldingen bij besluit van 16 november 2015 geweigerd om terug te komen van zijn besluiten van 16 oktober 2014 en 13 januari 2015. Bij besluit van 24 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 november 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 mei 2016 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking, zoals bepleit in het advies van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 25 augustus 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd dat met de pijn en vermoeidheid van appellante in de eerdere beoordelingen reeds in voldoende mate rekening is gehouden. Er zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van onder andere tillen en dragen, lopen, traplopen, zitten, buigen, zware lasten hanteren en werktijden. Uit de informatie van de behandelaars blijkt niet dat de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vermelde beperkingen onvoldoende tegemoet komen aan de belastbaarheid van appellante.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat voor haar een urenbeperking dient te worden aangenomen. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante een aanvullend rapport van verzekeringsarts Offermans van 14 oktober 2016 overgelegd, alsmede stukken in het kader van een aanvraag om een ADL-hulphond en nadere medische informatie van de behandelend fysiotherapeut, chirurg Luijten en internist Erdtsieck.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft met haar verzoeken van 8 en 11 oktober 2015 het Uwv gevraagd terug te komen van de besluiten van 16 oktober 2014 en 13 januari 2015, waarbij het Uwv heeft vastgesteld dat appellante per 25 juli 2014 geen recht heeft op ziekengeld.

4.2.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Uitgangspunt in het nieuwe toetsingskader is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.

4.3.

Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.4.

Zoals blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 mei 2016 heeft het Uwv naar aanleiding van het verzoek van appellante om terug te komen van de hersteldverklaring per 25 juli 2014 de medische situatie van appellante opnieuw inhoudelijk beoordeeld. De verzekeringsarts bewaar en beroep heeft volgens het rapport naar aanleiding van de door appellante beschreven klachten een uitvoerig medisch onderzoek verricht en haar gezondheidssituatie opnieuw medisch-inhoudelijk beoordeeld, met inbegrip van de informatie van chirurg Luijten van 15 maart 2016 en van klinisch geneticus M. Vreeburg van 27 oktober 2015. Vervolgens heeft zij geconcludeerd dat de medische gegevens van destijds en de nadien beschikbaar gekomen gegevens, geen aanleiding geven om terug te komen van de hersteldverklaring per 25 juli 2014. Gelet op deze beoordeling en wat is overwogen in 4.3, zal aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden worden beoordeeld of het bestreden besluit kan standhouden.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat uit de informatie van Offermans volgt dat zij als gevolg van haar aandoeningen niet in staat is om acht uur per dag te werken, zodat voor haar een urenbeperking moet gelden.

4.6.

Gelet op de standpunten van partijen en de voorhanden zijnde medische gegevens, waaruit verschil van inzicht blijkt over de ernst van de aandoening van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen, heeft de Raad aanleiding gezien zich door de deskundige te laten adviseren. De deskundige heeft in zijn rapport de in het dossier aanwezige gegevens besproken en verslag gedaan van het door hem uitgevoerde onderzoek. De actuele gezondheidstoestand van appellante wordt volgens de deskundige gekenmerkt door verminderde mentale en fysieke belastbaarheid en een grote mate van hulpbehoevendheid. De door appellante genoemde klachten zijn medisch te verklaren door de bindweefselaandoening (gewrichtspijnen, verzwikkingen, blauwe plekken samenhangend met EDS) en de gevolgen van de ondergane gastric bypass-operatie (deficiënties, symptomatische lage bloedsuikers, gewrichtsproblematiek). Daarbij heeft de deskundige opgemerkt het zeer wel mogelijk te achten is dat deconditionering en persoonlijkheidskenmerken dan wel andere psychologische factoren mede invloed hebben op de gezondheidstoestand (en vice versa) van appellante. Op de datum in geding had appellante ook al belangrijke afwijkingen in haar gezondheidstoestand, die vergelijkbaar zijn met de beschreven actuele gezondheidssituatie. De belangrijkste verschillen betreffen de wisselende buikklachten die in 2014 meer op de voorgrond stonden. Verder is bij appellante pas in 2015 de diagnose EDS vastgesteld, wat een rol kan hebben gespeeld in de lang bestaande klachten van het bewegingsapparaat en moeheid. De deskundige kan meegaan in de constatering van Offermans in diens brief van 14 oktober 2016 dat appellante een toegenomen recuperatienoodzaak heeft en dat haar invaliderende vermoeidheidsklachten waarschijnlijk een grote invloed hebben op haar belastbaarheid. Beide zijn te verklaren door haar EDS en deconditionering, en mogelijk ook door psychologische factoren. Meer moeite heeft de deskundige met de reactie en uiteenzetting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat bij appellante sprake is van de meest soepele bindweefselvariant, omdat hij zelf heeft vastgesteld dat appellante het meer invaliderende EDS type 3 heeft. De deskundige concludeert dat appellante ook op de datum in geding evidente beperkingen heeft door de combinatie van EDS, deconditionering en psychologische factoren, wat zich bij haar uit in overmatige vermoeidheid en toegenomen recuperatienoodzaak. Dat maakt het voor de deskundige zeer moeilijk voor te stellen dat appellante op 25 juli 2014 in staat was om acht uur per dag te werken.

4.7.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn reactie op het rapport van de deskundige vermeld geen aanleiding te zien tot wijziging van de vastgestelde beperkingen, omdat in het deskundigenrapport niet naar voren komt onder welke condities er sprake zou kunnen zijn van een verhoogde recuperatiebehoefte. Een onderbouwing om de vermoeidheidsklachten dan wel de verhoogde recuperatiebehoefte te verklaren vanuit de diagnose EDS type 3 ontbreekt.

4.8.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De vastgestelde overmatige vermoeidheid en toegenomen noodzaak voor recuperatie zijn door de deskundige duidelijk herleid tot de medische stoornissen die bij appellante aanwezig waren op de datum in geding. Hoewel de deskundige als reumatoloog zijn terughoudendheid verwoordt bij de beoordeling van de FML, blijkt afdoende dat hij op grond van zijn bevindingen grote twijfels heeft bij een arbeidsduur van acht uren per dag. Daarbij acht hij de vastgestelde aandoening van EDS type 3 van meer invaliderende aard dan waarvan de artsen van het Uwv zijn uitgegaan. De reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv op het deskundigenrapport vormt geen aanleiding de conclusies van de deskundige niet te volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep benadrukt dat een gestelde diagnose niet tot wijziging van de ingeschatte beperkingen hoeft te leiden, dat de deskundige niet vermeldt onder welke condities er meer recuperatiebehoefte zou zijn, en dat onvoldoende duidelijk wordt of de deskundige de genoemde recuperatiebehoefte ook voor 2014 noodzakelijk acht. Uit het rapport van de deskundige blijkt evenwel afdoende gemotiveerd dat ook de vermoedelijk in 2014 aanwezige situatie uitdrukkelijk is beoordeeld en dat de grotere recuperatiebehoefte en invaliderende moeheid evenzeer op die periode ziet. Dat de vermoeidheid en recuperatiebehoefte vooral verklaard zou moeten worden door deconditionering en copinggedrag, zoals door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overwogen, vindt geen steun in het deskundigenrapport, waar diverse malen tot uitdrukking wordt gebracht dat de combinatie met EDS en psychische factoren zoals vermeld in de informatie van psycholoog De Cortie aan de deskundige, daaraan ten grondslag liggen. Ook de informatie van internist dr. R.J. Erdtsieck van 25 juni 2018 geeft blijk van een uit de diagnose EDS voortvloeiende recuperatienoodzaak om verdere overbelasting, achteruitgang en klachten te voorkomen. Dit betekent dat het Uwv bij het bestreden besluit de medische situatie van appellante heeft onderschat en er ten onrechte van is uitgegaan dat zij in staat is om acht uur per dag te werken.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd evenals het bestreden besluit. Het Uwv zal de beperkingen van appellante met inachtneming van het oordeel van de Raad moeten aanpassen en vervolgens moeten bezien tot welke gevolgen dit leidt voor de aanspraken van appellante. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 512,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 598,95 in beroep wegens kosten van adviezen van een door haar ingeschakelde deskundige, in totaal tot een bedrag van € 3.158,95.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 mei 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt het Uwv op opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van

16 november 2015 met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld tegen het nieuw te nemen

besluit;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 3.158,95;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC