Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
17/7713 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:6823, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht beëindigd. Zorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts heeft bij appellante niet te geringe medische beperkingen vastgesteld. Geen twijfel aan de juistheid van dit oordeel. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7713 WIA

Datum uitspraak: 12 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2017, 17/1538 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.F.A. Cadot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Namens appellante is
mr. Cadot verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als schoonmaker. Op 4 januari 2013 heeft zij zich voor dit werk ziek gemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 2 januari 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

1.2.

Bij besluit van 24 mei 2016 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering per
2 augustus 2016 beëindigd. Vanaf deze datum komt appellante in aanmerking voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt teneinde in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering. Omdat aan het besluit van 24 mei 2016 geen medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag is gelegd, heeft dit onderzoek na het door appellante gemaakte bezwaar alsnog plaatsgevonden. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 6,31%. Bij besluit van 5 oktober 2016 is de
WIA-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2017 beëindigd. Appellante heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien af te wijken van het primaire verzekeringsgeneeskundig oordeel. Op 11 januari 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geselecteerde functies nog steeds geschikt geacht, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid 6,31% is gebleven. Bij besluit van 20 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen worden voldoende deskundig geacht om tijdens het relatief korte tijdsbestek van een spreekuur of hoorzitting een beeld te krijgen van de gezondheidssituatie van een betrokkene en van diens beperkingen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor de stelling dat appellante zich tijdens de gesprekken met de verzekeringsartsen onvoldoende heeft kunnen uiten. Appellante had bij beide gesprekken ook een begeleidster bij zich. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de verzekeringsartsen beschikten over voldoende inzicht in de medische situatie van appellante en dat moet worden aangenomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij appellante niet te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten, waaronder de psychische en schouderklachten en dat zij daaraan ook beperkingen hebben verbonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was ook bekend met de diagnose ADHD en wist van de hoofdpijn- en oogklachten. Zij heeft zelf onderzoek gedaan, waarbij ook de ogen zijn onderzocht. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv zijn ten opzichte van 2014 gewijzigde standpunt over de psychische klachten en de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen voldoende heeft onderbouwd. De door appellante overgelegde verklaring van haar begeleidster S. Abels heeft de rechtbank niet doen twijfelen aan de belastbaarheid, omdat de verklaring niet afkomstig is van een medicus en de globale strekking ervan overeenkomt met wat al bekend was bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor zover het dagverhaal zoals dat uit de verklaring van Abels naar voren komt al afwijkt van hetgeen de verzekeringsartsen al wisten, geldt dat appellante geen medische informatie heeft ingebracht die enige grond geeft voor het oordeel dat de verzekeringsartsen het dagverhaal mogelijk onjuist hebben gekwalificeerd. Ten slotte heeft de rechtbank de belasting van de geduide functies vergeleken met de FML en daarbij de toelichting die de arbeidsdeskundigen bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid hebben gegeven, betrokken. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellante in deze functies niet wordt overschreden.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringsartsen in haar geval onvoldoende is geweest om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Haar psychisch functioneren wordt door het Uwv vergelijkbaar geacht met het niveau in 2014, maar toch worden er nu minder beperkingen aangenomen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het op de weg van haar begeleidster lag om een toelichting te geven als appellante zich tijdens de hoorzitting onvoldoende kon uiten. Het functioneren van appellante tijdens het gesprek met de verzekeringsarts kan niet representatief worden geacht voor haar algehele dagelijkse functioneren. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de verklaring van haar begeleidster geen aanleiding geeft om aan het oordeel van de verzekeringsartsen te twijfelen. De verklaring geeft een beeld van haar dagverhaal en deze hoeft niet van een medicus afkomstig te zijn. Verder voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv de beperkingen juist heeft vastgesteld. Er is onvoldoende rekening gehouden met haar psychische klachten en haar oog- en schouderklachten. Appellante heeft met het aanvullend beroepschrift een brief van
25 november 2014 van oogarts J.W.A. Vergeer en een brief van 6 maart 2019 van oogarts S.E. Loudon in het geding gebracht. Ten slotte voert appellante aan dat de voor haar geldende functies niet passend zijn.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die zij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een ander oordeel. Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht, worden geheel onderschreven. De stelling van appellante dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat appellante zich tijdens de hoorzitting onvoldoende kon uiten en het niet op de weg van haar begeleidster lag om een aanvulling te geven, wordt niet gevolgd. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2017 blijkt niet dat appellante onvoldoende in staat was om haar verhaal te vertellen. Verder blijkt uit dit rapport dat ook de begeleidster van appellante een toelichting heeft kunnen geven. Indien appellante aanvullende informatie had willen inbrengen dan heeft zij hiervoor tijdens de beroeps- en hogerberoepsprocedure in voldoende mate de mogelijkheid gehad.

4.2.

Ook het oordeel van de rechtbank dat moet worden aangenomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij appellante niet te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld, wordt onderschreven. De informatie van de oogartsen geeft geen aanleiding om aan de juistheid van dit oordeel te twijfelen. Deze brieven zien niet op de datum in geding. Daarnaast heeft appellante tijdens de bezwaarprocedure ook haar oogklachten genoemd en hiernaar is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gericht onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom de geconstateerde afwijking niet tot beperkingen leidt. Eveneens is voldoende gemotiveerd dat er minder psychische beperkingen hoeven te worden aangenomen dan in 2014.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt ook het oordeel van de rechtbank over de passendheid van de geselecteerde functies onderschreven.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS