Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
17/4447 ZW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het standpunt van het Uwv dat de gedurende een week verrichte arbeid als huismeester/conciërge als een mislukte werkhervatting beschouwd dient te worden en die arbeid om die reden niet als maatstaf aangemerkt kan worden, is niet langer houdbaar. Verwijzing naar uitspraak van de Raad van 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2785. De uitzonderingsbepaling in de tweede volzin van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is ook niet op de situatie van appellant van toepassing. De in kader van WIA geselecteerde functies zijn ten onrechte als maatstaf gehanteerd. Bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd, opdracht tot herstel gebrek binnen zes weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4447 ZW-T

Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

10 mei 2017, 16/4091 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.F.J. Simonis-de Graaff, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als allround onderhoudsmonteur voor 36 uur per week toen hij zich op 30 juni 2011 ziek meldde met klachten aan zijn benen en voeten. Het dienstverband is op 27 juni 2013 geëindigd. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 27 juni 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van magazijn-/expeditiemedewerker (SBC-code 111120), productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) te vervullen.

1.2.

Appellant heeft vanaf 16 november 2015 gedurende één week gewerkt als conciërge/huismeester. Op 13 januari 2016 heeft appellant zich met ingang van 23 november 2015 ziek gemeld wegens beenklachten. Op 12 februari 2016 heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 23 november 2015 geschikt geacht voor één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies, namelijk wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 12 februari 2016 vastgesteld dat appellant per 23 november 2015 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 juni 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze verricht. De rechtbank heeft overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de gestelde klachten passen bij de aandoeningen die appellant reeds ten tijde van de WIA-beoordeling had en dat die klachten in grote lijnen niet zijn veranderd, waardoor geen sprake is van toegenomen beperkingen. Verder is de rechtbank van oordeel dat het Uwv toereikend heeft gemotiveerd dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening is gehouden met de energetische beperkingen, zodat voor een urenbeperking geen plaats is. De rechtbank heeft overwogen dat de FML, die in het kader van de WIA‑beoordeling is opgesteld, op de datum in geding ongewijzigd van toepassing is en het Uwv appellant terecht met ingang van 23 november 2015 weer in staat heeft geacht tot het verrichten van zijn arbeid, te weten één van de in het kader van de

WIA-beoordeling geselecteerde functies.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant de bezwaar- en beroepsgronden in essentie herhaald. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, gezien het verloop van de zitting en de snelheid waarmee hij de uitspraak heeft ontvangen. Ook heeft appellant gesteld dat het Uwv slechts enkele dagen voorafgaand aan de zitting nieuwe stukken heeft ingebracht en appellant hierdoor onvoldoende gelegenheid heeft gehad inhoudelijk op deze stukken te reageren. Daarnaast is appellant van mening dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over het ontbreken van de arbeidskundige rapporten in het dossier.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In afwijking van de eerste zin wordt indien de verzekerde de arbeid gedurende minder dan een week heeft verricht en daaraan voorafgaand gedurende ten minste zes maanden andere arbeid heeft verricht onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor de andere arbeid die in die zes maanden hoofdzakelijk is verricht.

4.3.

In deze zaak dient allereerst beoordeeld te worden welke arbeid als maatstaf geldt voor de beoordeling van het recht op ziekengeld in een situatie als de onderhavige, waarin na een WIA-beoordeling het recht op ziekengeld is beëindigd, daarna (kortdurend) is hervat in arbeid en de verzekerde zich vervolgens uit die arbeid ziek meldt.

4.4.

Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de werkhervatting vanaf 16 november 2015 gedurende een week als een mislukte werkhervatting beschouwd dient te worden, nu het werk als huismeester/conciërge medisch ongeschikt voor appellant was, en dat daarom de in het kader van de voorafgaande WIA-beoordeling geselecteerde functies als maatstaf gelden. De hersteldverklaring van appellant wordt gedragen door één van de geselecteerde functies, in dit geval de functie van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050).

4.5.

Voorop wordt gesteld dat de hoofdregel is dat onder “zijn arbeid” wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid als bedoeld in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW. Op grond van artikel 19, vijfde lid, eerste volzin, van de ZW wordt daaronder voor een verzekerde die geen werkgever heeft verstaan: werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Appellant heeft na de WIA-beoordeling in enig werk hervat, namelijk werkzaamheden als huismeester/conciërge. Deze arbeid heeft hij gedurende een week verricht, waarna hij zich heeft ziek gemeld. Nu het dienstverband als gevolg van de ziekmelding is beëindigd, had appellant geen werkgever meer en is artikel 19, vijfde lid, van de ZW van toepassing. Gelet hierop dient in beginsel de arbeid als conciërge/huismeester, gewoonlijk kenmerkend bij een soortgelijke werkgever, als maatstaf aangemerkt te worden, aangezien dit de laatst verrichte arbeid is.

4.6.

In zijn uitspraak van 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2785, heeft de Raad overwogen dat er, gelet op de overwegingen die ten grondslag liggen aan het per 1 januari 2011 laten vervallen van artikel 44 van de ZW en de daarmee vergelijkbare bepalingen in de andere arbeidsongeschiktheidswetten, aanleiding is om niet langer vast te houden aan zijn rechtspraak dat ongeschiktheid bij indiensttreding met zich mee brengt dat het laatstelijk voor uitval verrichte – ongeschikte – werk niet als maatstaf arbeid in de zin van de ZW kan gelden.

4.7.

Het standpunt van het Uwv dat de gedurende een week verrichte arbeid als huismeester/conciërge als een mislukte werkhervatting beschouwd dient te worden en die arbeid om die reden niet als maatstaf aangemerkt kan worden, is derhalve niet langer houdbaar.

4.8.

Omdat appellant de functie van huismeester/conciërge gedurende een week heeft verricht, is de in de tweede volzin van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW neergelegde uitzonderingsbepaling, voor de situatie waarin een verzekerde zonder werkgever de arbeid gedurende minder dan een week heeft verricht en daaraan voorafgaand gedurende ten minste zes maanden andere arbeid heeft verricht, ook niet op de situatie van appellant van toepassing.

4.9.

Het Uwv heeft ten onrechte de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies als maatstaf gehanteerd bij de beoordeling van het recht op ziekengeld. Uitgegaan dient te worden van de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid, in dit geval werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor de werkzaamheden als huismeester/conciërge. Het Uwv heeft nog niet beoordeeld of appellant al dan niet geschikt is voor deze arbeid.

4.10.

Wat in 4.5 tot en met 4.9 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Om te komen tot een definitieve beslechting van het geschil, waarbij zal worden bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 3 juni 2016 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) D.S. Barthel

VC